terug  begin  verder

XIV. Brief.
Willem aan zyne Moeder den 2 July.

Mevrouw Grandisson is beter, Mama en Eduard is weêr byna herstelt; en 't geen gelukkig is, hy is wyslyker geworden. - Ik hebbe u in myn voorigen brief gesprooken van een jongen, die Eduard bewaart heeft, door hem by zyn kleed te houden; nu dees is, gelyk ik gezegt hebbe, de zelfde, dien wy het tonnetje op den kruiwagen hielpen zetten; zie daar dan zoo als Karel zeide,

[p. 35]origineel

een bewys, dat men iemand nodig kan hebben, zonder het te kunnen voorzien: Eduard zou gewis verdronken zyn, zoo die goede jongen daar niet geweest waare; maar ik moet u een gesprek vertellen, dat de twee broeders over die zaak gehouden hebben, wy waaren in de kamer van den zieken om hem gezelschap te houden.

Eduard.

Gy doet wel, dat gy by my komt, en 't is wel goed van u, want gy zoud u beneden beter kunnen vermaaken, als by my.

Karel.

't Zou slecht zyn het vermaak maar alleen voor zich zelve te zoeken: als ik ziek waare zoud gy ïmmers ook by my komen broeder?

Willem.

't Is ons vermaak genoeg, Myn heer, u weer zoo wel te zien, 't had erger kunnen afloopen.

Eduart.

Dat is wel waar; indien het noch een oogenblik geduurt had, hadde ik weg geweest, en zonder dat azyn kruyërtje zou

[p. 36]origineel

ik niet hebben kunnen roepen: hy heeft zyn best gedaan.

Karel.

Zie daar dan broertje lief! het geene ik zeide, dat men nooit kan vooruitzien, of men iemant nodig zal hebben.

Eduart.

Gy hebt gelyk, en ik hebbe berouw dat ik den goeden jongen weigerde, om hem met u aan het oprichten van zyn azyn tonnetje te helpen.

Karel.

Hoe schoon staat het u, Eduard! te durven erkennen, dat gy ongelyk gehad hebt; maar dit is nu voor by: hou slechts voor altoos den dienst, dien hy u beweezen heeft in gedachten, 'er kan een tyd komen, dat gy hem vergeldinge kunt doen: gy zyt hem het leeven verschuldigt: hy is het werktuig in Gods hand geweest om u te behouden; en God heeft hem gewisselyk daar toe uitgekoozen, om u te doen bezeffen, dat men de geenen, die gering zyn, nooit moet verachten. Wat zoude hier een jong heertje van geboorte gedaan hebben? hy zoude misschien geroepen hebben, zonder hulp maar deeze jongen, meer gewoon

[p. 37]origineel

aan ongemakken, en min vreesachtig heeft naar u gesprongen in het gevaar van zyn eigen leeven. - Laat ons dan die medeschepsels van laager staat beminnen, als eeven nuttige leden van het menschdom als de grooten.

Ik had de traanen in de oogen, lieve Mama! op dit zeggen van Karel. Hy had wel gelyk; ik hebbe ook dikwyls gezien, dat geringe menschen zoo behulpzaam zyn als men in nood is. Zeker! de meesten onder hun moeten wel een goed hart hebben.

 

Vaar wel, lieve Moeder! wy gaan op morgen het middagmaal houden by de zuster van Myn heer Grandisson, eenige uuren van hier, dus gaan wy dees avond vroeg naar bed om te vroeger te kunnen opstaan. Eduard kan niet mede gaan: het spyt hem wel: het spyt my ook. Schryf toch dikwyls aan uwen Wimpje Mama.

terug  begin  verder