terug  begin  verder

XVI. Brief.
Juffertje Emilia Grandisson aan Juffertje Charlotte L.

Ik zende u hier een klein Landschapje dat ik zelf getekent hebbe, lieve Nichtje. - Het is niet veel waard, ik weet het wel; maar ik ben noch maar twaalf jaaren oud; ik zal noch wel beeter leeren, en dan zal ik u een ander stukje aanbieden. Hang het op uw Kamertje, lieve, dan zult gy dikwils aan my denken. - Hoor nu! toekomende Donderdag is Mama jaarig, kunt gy my niet een versje uitschryven, uit dat mooye boek, dat gy hebt? dan kon ik haar dat geeven, om haar daar meê geluk te wenschen, en om haar te toonen...... maar neen - dat deugt niet, geloove ik; neen, doe het niet; ik zal haar liever maar iets wenschen, dat ik zelve denk;

[p. 44]origineel

wat zou Mama toch aan een versje hebben, dat een ander gemaakt had? Ik hebbe immers Mama lief, en dan kan men ras een wensch bedenken, die goed is - kon ik het maar zoo zeggen als ik het gevoel - Hoor, wat ik doen zal! Ik zal vooreerst wel overdenken, wat die goede Mama al voor my gedaan heeft in myn leeven; hoe veele tedere zorgen zy voor my gehad heeft: hoe vriendelyk zy, nevens God, my bewaart heeft voor ongelukken; hoe veel zy niet al te kost geleid heeft om my goede Leermeesters te geeven, op dat ik bekwaam zou worden; en dan zal ik bedenken, hoe dankbaar ik daar voor moet weezen, ‘wat schande Emilia, zal ik tegen my zelve zeggen, wat schande, dat gy de minste onoplettenheid zoude toonen aan eene Moeder, die u zoo lief heeft. Waarom zoud gy haar smart aan doen, die zoo haar best doed om u gelukkig te maaken? neen ik zal haar voortaan eerbiedigen zoo veel ik kan om haare gunsten te verdienen’. Voorts zal ik onzen lieven Heer bidden. ja wel hartelyk bidden, lieve Nichtje! dat hy die goede Mama, beneffens myn waarden Papa lang

[p. 45]origineel

voor my wil spaaren, want dit is de grootste zegen, die men op aarde kan hebben; onze Ouders zyn voor ons een schat, die wy maar eens kunnen verkrygen: iemant: die zyn goed verliest kan somtyds door naarstigheid en deugt weer ander overwinnen; maar als onze Ouders dood zyn, zyn 'er geen Ouders meer voor ons - ik schrik, Charlotte van 't geen ik daar zeg: ik worde bedroeft: de traanen loopen my uit de oogen: geene Ouders! och, wat is een kind ongelukkig, als hy zyne Ouders verliest. O, myn God! bewaar ze! ik zal altoos gehoorzaam weezen: ik zal braaf leeren; ïk zal altoos een goed Meisje zyn, want ik miste noch liever myn eigen leeven, als dat van myne Pape en Mama.

 

Ja, ja: met dat goede voorneemen zal ik wel een wensch aan Mama weeten te doen. Ik hebbe een beursje voor haar geborduurt - in myne speeluuren om haar mede te verrassen; hadde ik nu altyd gespeelt, dan zou ik dat niet hebben kunnen doen. Nu dans ik weer van vreugt: Mama zal daar aan zien, dat Emilia aan haar denkt.

[p. 46]origineel

Nu waarde Charlotte leef gelukkig, kus duizendmaal myn Oom en Tante voor my en bemin

 

Uwe Emilia Grandisson.

terug  begin  verder