terug  begin  verder

XX. Brief.
Willem aan zyne Moeder den 18. July.

Wy waaren dees morgen al voor half drie uuren in het veld, Mama! om gelyk ik gezegt hebbe, de Zon te zien. Eduard wilde niet mede; hy sliep liever. Foei, dat is wel lui weezen. Hy wordt al weder ondeugener: 't is hem al vergeeten, naar 't schynt, dat God somtyds de ongebonden kinders straft; maar ik wil liever van ons gesprek met den Heer Bartlet spreeken: de Sterren waaren noch aan den Hemel, toen wy uitgingen.

[p. 64]origineel
Karel

Myn Papa heeft my braaf boeken belooft, myn Heer Bartlet.

De Heer Bartlet.

Des te beter, myn lieve! de boeken van wyze schryveren zyn nuttig om 't geen wy zien en ondervinden te beter te kunnen begrypen: maar onze eigen oogen kunnen ons veel leeren. Het boek der Natuur, namenlyk die Hemel, met alle zyne lichten, deeze Aarde, waar op wy zyn, met alle haare gewassen en dieren, is noch het beste van alle de boeken, en dat is een ieder magtig te leezen.

Karel.

Dat is waar; maar ik wensche naar boeken, om dezelve te gebruiken als myne wegwyzers.

De Heer Bartlet.

Dat is zeer wel.

Karel.

Zie daar, Mynheer! my dunkt het wordt lichter.

De Heer Bartlet.

Merk nu op hoe de Sterren beginnen te verbleeken, voor het naderende licht der Zon.

Willem.

Ik meende altyd, dat de Sterren heen gingen als het dag wordt.

[p. 65]origineel
De Heer Bartlet.

Daar zyn er eenigen, die haaren gestelden loop hebben, en anderen, die haaren stand behouden: deeze noemt men vaste Sterren.

Karel.

De Sterren zyn 'er dan by dag zoo wel als by nacht?

De Heer Bartlet.

Gewis; maar het sterker licht van de Zon maakt het flaauwe licht van de Sterren onzichtbaar.

Karel.

Hoe aardig komen de boomen en velden voor den dag!

De Heer Bartlet.

Ja; zoo eeven scheen alles een spelonk van verwarring, nu verandert het in eene aangenaame Landsdouw. Het veld, dat aan een zwarten vloer gelyk was, wordt nu groen en met duizende van bloempjes gedekt: het licht geeft aan alles de koleuren weder.

Karel.

't Geen gy daar zegt, Mynheer! is opmerkelyk: men zou dus wel haast gelooven dat het licht de koleuren geeft.

De Heer Bartlet.

En dat is ook zoo. Is

[p. 66]origineel

zonder het licht niet alles zwart? Doch 't is eevenwel het licht alleen niet, dat de koleuren maakt, want dan zou alles eeven eens zyn geverwt. 't Is dan gedeeltelyk in het ding zelve gedeeltelyk door de Zon, en gedeeltelyk door ons gezicht, dat de koleuren bestaan. Wy zullen dit door den tyd wel eens nader onderzoeken: geloof ondertusschen dat het licht 'er het meeste toe doet: want het dagligt toont ons in een zelve ding andere koleuren als het licht der kaars; by voorbeelt, het groen schynt als dan blaauw; het root schynt oranje: het zwart is van heel donker blaauw niet te kennen; dit komt door het onderscheid der licht straalen, die op het ding en op onze oogen een verscheiden'erley werking hebben. Zie daar begint de Zon zich te vertoonen: Wat dunk u van dat gezicht?

Willem.

Ik staa 'er over verwondert myn Heer.

Karel.

Kan het weezen, dat de meeste menschen dit uur met slaapen doorbrengen?

De Heer Bartlet.

Zulke menschen maaken

[p. 67]origineel

zich de gunsten van hunnen Schepper onwaardig. die heerlyke Zon, die ons toegezonden wordt om ons te vervrolyken, om ons te verwarmen, en voedsel te geeven, verdient wel, dat wy haar somtyds eene eerbiedige welkomst bieden, door onze dankbaarheid voor derzelver Maaker.

Karel.

Och laaten wy dikmaals den opgang der Zon aanschouwen: Ik zal u eene groote verpligting hebben Mynheer. Men besteed somtyds groot geld om eene fraaye ver tooning te zien, en deeze vertooning die men voor niet kan hebben, is immers veel schooner als 't geen met menschen hadden gemaakt wordt.

De Heer Bartlet.

't Is roemwaardig zoo te redeneeren Karel! Ik ben altyd tot uwen dienst om u te onderrichten; maar willen wy nu huiswaarts keeren.

Karel.

Zoo als gy 't goedvind, myn Heer; maar 't is zulk een aangenaame morgenstond.

De Heer Bartlet.

Ik begryp u: gy wilde

[p. 68]origineel

liever verder wandelen. Wel aan, het ontbyt zal ook noch niet gereed zyn.

Wy gingen dan noch meerder 't veld in, Mama; maar ik zal u het gesprek, dat wy hadden, in een anderen brief zeggen, want deeze is alreê lang genoeg,

 

Ik kusse u eerbiedig de hand, lieve Moeder, Vaar wel!

terug  begin  verder