terug  begin  verder
[p. 82]origineel

XXIII. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 24 July.

Eene van de Dienstmeiden hier in huis is zeer ziek. Zie nu, lieve Mama! hoe goed Emilia is. Zy was dees morgen al vroeg op, om zelf aan die Meid een kommetje kalfs nat te brengen; en zy was niet te vreeden, voor dat zy het haar had zien uitdrinken: 'er werdt terstond op haar bevel een Doctor gehaalt, en zy laat de zieken oppassen als of het haare zuster waare. Hoe beminnelyk is het in eene jonge Juffer zoo menschlievend te weezen. Eduard verweet het haar: het staat u mooi, zeide hy uwe meid te dienen; en waarom niet, Broeder? antwoordde zy: gy speelt wel met een knecht op het kegelspel; en ik draag zorg voor eene meid uit medely. Eene dienstmeid is een mensch gelyk wy: ik bedenk hoe bly ik zou zyn, als ik in haare plaats waare, dat men my liefde bewees. Eduard werdt

[p. 83]origineel

wat beschaamt en sloop uit de kamer. Myne Moeder doet ook gelyk Emilia, dacht ik hier op. Het heugt my noch, dat onze Hanna de koorts had, en dat gy toen ook zorg voor haar droeg. Maar dit geheugen brengt my iets te binnen, dat my bedroeft maakt: hoe ongelukkig zyt gy! hier zyn zoo veele dienstboden, en gy, arme Mama! hebt maar een enkel meisje: gy moet zelf zoo veele bezigheden waarneemen, die zoo weinig passen aan de Weduwe van een Colonel. - Maar ik wil liever van wat anders spreeken: Zusje Annette zal wel haast grooter worden: zy zal een goed meisje weezen, en u in alles dienen: en ik, als ik eens eene Bediening hebbe, dan zal ik voor myne lieve Mama zorg draagen: dan zullen wy ook zoo veele gerechten op onze tafel hebben als hier, en onze goede vrienden zullen gaarne by ons ten eeten komen.

 

Karel, Eduard, en ik, hebben gister het middagmaal weezen houden by den Ridder Friendly; 'er is een Zoon, omtrent van die jaaren als wy, en wy hebben zeer veel vermaak gehad. Laat my u ons gesprek,

[p. 84]origineel

dat wy dieswegen hadden, toen wy thuis kwamen mede-deelen, lieve Mama! Emilia verwelkomde ons op eene zeer bevallige wyze.

Emilia

Hebben de jonge Heeren braaf vrolyk geweest?

Karel.

Ja wel, lieve Zusje! maar ik zou noch vrolyker geweest zyn, als wy u mede in het gezelschap hadden gehad.

Emilia.

Gy zyt wel verpligtend Broeder!

Eduard.

En ik, ik blyf op een ander tyd t'huis; de jonge Friendly staat my niet aan.

Karel.

En waarom, lieve Broertje? hy schynt zeer goedaardig en beleeft.

Eduard.

Hy gelykt eer een mensch van veertig jaaren, dan een jongeling van veertien,

Karel.

Dat is juist iets, dat in hem te pryzen is; vind gy het niet fraai, dat iemant, die noch zoo jong is, zoo wel van de oude en nieuwe historien weet meê te spreeken.

[p. 85]origineel
Eduard.

Wel nu. Maar wat hadden wy aan het bezien van de Landkaarten, die hy ons liet kyken?

Karel.

't is waar wy hadden daar zoo veel niet aan, om dat wy noch zoo ver niet in de aardrykkunde gevordert zyn; en dat heeft hy gewisselyk zoo niet bedacht: 't is eene fout iemant te spreeken van dingen, daar hy niet over kan oordeelen, en men behoort zich altyd te schikken naar de geenen daar men by is. Als ik, by voorbeeld; met iemant, die geen latyn verstaat, wilde redeneeren over de schoonheid van de latynsche taal, zoude ik my verveelend maaken. - Het bezien van de Landkaarten is ondertusschen voor my niet ten eenemaal nutteloos geweest; ik hebbe 'er des te meer lust door gekreegen om my in de fraaije weetenschap der Geographie bekwaam te maaken.

Eduard.

En hoe vind gy dan dat het een jongheer van geboorte staat een draaibank te hebben en te leeren kunstdraaijen.

Karel.

Dat vinde ik zoo naar myne smaak,

[p. 86]origineel

dat ik Papa zal bidden om 'er mede een te hebben.

Emilia.

O, doe dat toch Karel! dan zult gy voor my veele mooye dingen maaken.

Eduard.

Ik moet waarlyk lagchen! Karel Grandisson zal een draayer worden! Dat zal goed weezen als hy eens arm wordt, dan kan hy een ambacht.

Karel.

Spot daar niet meê Broeder! 'er zyn menschen, die noch hooger zyn geweest als ik, en die tot armoede vervallen zyn; en schoon ik niet hoop ooit het kunstdraaijen nodig te hebben om myn brood te winnen, zal het my tot lof strekken het te kennen: de werktuig-kunde maakt handig en bekwaam, en is zeer vermaaklyk.

Och, Mama lief! welk eene lust kryge ik, om my in allerlei weetenschappen te oeffenen. Waard gy ook ryk, gy zoud my mede een draaibank laaten maaken. De jonge Heer Friendly draaide een doosje van een stuk yvoor daar wy by stonden, en gaf het my. Ik zende het hier nevens voor zusje Annette.

terug  begin  verder