terug  begin  verder

XXV. Brief.
Emilia aan Mevrouw Grandisson. Den 7 Augustus.

Wy zyn hier deezen nacht in eene groote ontsteltenis geweest, lieve Mama! Het Huis van den Heer Falston is tot den grond toe afgebrand. O welke verschrikkelyke vlammen! de lucht was rood als bloed: het hart klopte my: ik schreidde; 't is dunkt my zoo yslyk iemants goed te zien verbranden! Hoe voorzichtig behoort men te zyn, dewyl het vuur zoo schielyk een ongeluk kan geeven. Had men dat hier bedacht het zou niet gebeurt weezen. Ja, Mama! 't zyn de jonge Juffrouwen Falston, die 'er de oorzaak van zyn. Zy hadden des avonds, zonder dat het gemerkt was eenige aangeglommen koolen weeten te krygen, en waaren daar meê naar haar speelkamertje gegaan, om in stilte eene kleine Tartelette te bak-

[p. 91]origineel

ken; die iets ter sluip doet doet het altyd zonder overleg en in haast: het vuur moet zekerlyk op het tapyt gevallen zyn, zonder dat zy het zagen: zy werden gestoort, en beneden geroepen: aten dus haare Tartelette noch maar half gaar, half gebrand schielyk op, en gingen van de Kamer, na dat ze die wel hadden toegesloten, zonder dat iemant ergens gedachten op had. Men geleidde haar eindlyk naar haar slaap vertrek, zonder dat zy, om geene achterdocht te geeven, weer op het speelkamertje dorsten gaan, en des nachts om twee uuren, toen ieder lag te slaapen geraakte ylings het Huis in vollen vlam. God heest haar wel gestraft! Zie daar nu, om een slecht gebakje te eeten het Huis van haaren Vader tot koolen! Nu schreyen zy: nu bidden ze om vergiffenis; nu zyn ze ziek van droefheid; en wat baat het? het vuur heeft alles verteert.

 

Niets is 'er geborgen: de Wolbaalen van den Heer Falston: de Meubelen: die kostelyke Schilderyën, waar aan gy weet, Mama lief! dat hy zoo veel geld besteedde: alles is tot asch. De Juweelen, en Goud

[p. 92]origineel

en Zilver zyn verlooren of gestoolen: de jonge Juffrouwen zyn met een enklen onderrok gevlugt: en de Heer Falston zelve is deerlyk gebrand: gelukkig zoo hy het leeven behoud. - Wat zal 'er nu van die hoogmoed worden, die de jonge Juffrouwen hadden? gister zoo ryk, nu zoo arm! zy bejegenden altyd haare buuren met verachting om dat het geene luiden van geboorte waaren; en nu zyn zy gelukkig dat die zelfde buuren haar uit meedely in Huis hebben genoomen: hoe schielyk kan men vernedert worden! en hoe kwaalyk doet men als men zyne minderen niet met beleeftheid behandelt, als men begrypt hoe ras men de hulp van Menschen nodig kan hebben!

 

Maar deeze Brief is al zoo lang, dat ik vreeze u te verstooren, Mamaatje; en evenwel (och ik durf haast niet zeggen wat ik gedaan hebbe) hebbe ik 'er noch wat by te voegen. Zult gy het uwe Emilia vergeeven? - Ja, gy zyt zoo goed: gy zyt zelf zoo mededogend. - De Kleeren van de jonge Juffrouwen Falston zyn allen verbrand; zy hadden niets: Ik hebbe aan

[p. 93]origineel

de jongste, die omtrent eeven groot is als ik, een van myne dagelyksche Klederen gezonden, en eenig ondergoed; ik zoude haar wel iets beters gezonden hebben; maar all' wat ik bezit is, het uwe, en ik mag het niet weg schenken, zonder uwe toestemming - Ik bid verschoon my! Ik zal voortaan des te spaarzaamer zyn over myn goed: gy behoeft my dat verlies niet te vergoeden, want ik hebbe Klederen in overvloed. - Vaarwel, lieve Mama! en zyt altoos verzekert van myne eerbied en liefde.

terug  begin  verder