Och, myne lieve Moeder. Myn vriend Kareltje heeft zyn been gebrand, en kan niet gaan: Eduard, die altyd eeven wild te werk gaat, is 'er de oorzaak van, door een ketel met kookend water om te storten: maar nooit, neen, nooit, zach men zulk een geduld, zoo veele goedheid, als Karel bezit. Een ander zou zyn Broeder hier hebben toe gegraauwt; maar hy, inteegendeel verbergde dat hy pyn gevoelde: 't is niets zeide hy, het heeft my niet veel geraakt; wees niet verlegen Eduard. - Wy zagen nochtans wel beter, want zyn been zwol zoo geweldig op, dat men zyne kous in stukken moest snyden, om ze uit te krygen: Emilia begost te schreiën: zie zoo, riep zy uit, dat komt van uwe lompe onbezuistheid: daar hebt gy misschien uw Broeder voor altoos ongelukkig gemaakt; Ik wenschte dat gy het zelf had:
en ik, ik wenschte, dat het niemant had, viel Karel haar in de reeden. - Wees niet gestoort, lieve zusje het zal wel overgaan; Eduard heeft het niet met moedwil gedaan; 't was een ongeluk, en al was het erger, men zoude 'er zich in moeten troosten; geene verwytingen kunnen eene gedaane zaak te recht brengen. - Daar staat hy nu als een gek, hernam Emilia, in plaats van schielyk om een Chirurgyn te zenden Ik hebbe dien niet nodig, antwoorde Karel: kryg my maar een weinig van de Brandzalf als 't u gelieft, en dan is het morgen geneezen. Maar sus, vervolgde hy, daar komt de Heer Bartlet, zeg hem niets van Eduard; en gy, Broeder, geef my de hand en omhels malkander; uwe gestoortheid zou my veel meer bedroeven als dat klein brandseltje, dat ik byna niet meer voel.
Wat is men gelukkig, als men in zulk een geval zoo bezadigt kan zyn: want als men 't wel in ziet Kareltje had gelyk, 't kon hem niet helpen zich kwaad te maarken; dat zou hem de pyn niet benoomen hebben.
Maar het vermaak, dat ik vinde, in aan myne lieve Mama te schryven, zou my wel doen vergeeten, dat hy my verzocht heeft om hem gezelschap te houden. Ik kusse haar dan in myne gedachten van harten goeden nacht, en verzeker haar van myne eerbied en gehoorzaamheid.