Arme Kareltje 't is nu twee dagen, dat hy met het been in het kussen zit, en ik geloof, dat hy 'er veel pyn aan heeft, schoon hy het niet wil zeggen. Emilia vroeg hem gister of hy niet droevig was, om dat hy nu niet uit kost gaan? Neen, antwoorde hy, de droefheid zou my niet baaten; ik zou daar door myn leed maar erger maaken: voor eerst stel ik my te vreeden met de hoop, dat ik wel ras weer herstelt zal zyn, en wat zal ik 'er dan by verlooren heb-
ben? eenige dagen in myne kamer te blyven: ten anderen 't zou wel schande weezen, als ik my niet kon troosten in zulk een klein ongeval; wy kunnen immers niet altyd eeven gelukkig, eeven gezond, zyn? Neen lieve zusje, 't is goed somtyds eene kleine smart te hebben, dat leert ons geduldig weezen, en dat is onze pligt, want 'er is niemant op aarde, hoe ryk, hoe groot hy zyn mooge, die niet wel eens tegenspoed heeft: zou ik gramstoorig weezen om dat ik voor eenige dagen 't gebruik. van myn been moet missen, terwyl ik zoo dikwerf menschen zie, die voor al hun leeven op krukken moeten gaan? Wat is dan hier by onze arme Woodwel wiens been in den laatsten Oorlog is af geschooten? wy moeten ons onderwerpen aan 't geen ons wordt op geleid. En zoud gy 'er u dan ook in troosten kunnen, al verloor gy meede uw been? vroeg Emilia. Die zou my gewisselyk groote droefheid geeven, gaf Karel ten antwoord; ik bidde God dagelyks my voor dergelyke ongelukken te bewaaren, dit is in zyne magt, dus indien hy my dat liet overkomen, zoude ik moeten denken dat het zyn wil waare. Wat dan? kan ik
het beletten? Hy is meester over my, Hy begeert dat ik zulk een ongeluk hebbe: ik moet gehoorzaam zyn: ik moet my geduldig toonen, ik kan het toch niet beter maken, en dan durf ik hoopen dat God my ook kracht zal geeven om alles te verdraagen. Gy hebt wel gelyk myn Heer, zeide ik, 'er is geen troost dan by God alleen. En waarlyk, lieve Mama! zoo te denken als Karel is het eenigste middel om alle ongelukken over te komen. 't Geheugt my noch, toen ik myn lieven Vader verloor; onze droefheid kost hem het leeven niet weder geeven; gy schreidde; ik klaagde; onze snikken en traanen waaren vergeefs; maar gy naamt my by de hand en zeide; kom, myn Zoon! laat ons God bidden om vertroosting: wy baden: en ziet, ik zach dat gy geruster werd: ik zelve voelde dat myn hart verligt was na ons Gebed. - O ik zal my altoos zoo gedraagen in droefheid: ik zal my aan God onderwerpen in alles wat my overkomt, en dan zal ik moed hebben om te lyden, weetende dat Hy het is, die alles bestuurt, en tot wien ik dagelyks zegge, Uwen wille geschiede!