Eer wy naar beneden gingen om te ontbyten, deed Karel het Papier, 't welk hy van zyn Vader gekreegen had open: hy vond daar in vier Guinées, dat is ruim vier en veertig guldens, en was verwondert zoo veel te hebben. - Hy bedacht zich hier op een weinig. - William! zeide hy, ik wilde gaarne uwe gedachten wee-
ten. 'Er zyn hier in den omtrek weinige jonge luiden, wier gezelschap ons behaagt: zy zyn meest allen zoo wild, dat het onverdraaglyk is; de kleine Friendly is de eenigste, en die is thans juist met zyne Mama van Huïs. Wat zoud gy my raaden? Als ik in uwe plaats waare, antwoordde ik, zoude ik dat geld bewaaren; drie of vier uuren in zotte vrolykheid doorgebragt zyn ras voorby; gy kunt het nuttiger besteden, met wat voor uw vermaak te koopen. 't Zal u dan geen leed doen dat wy ons liever by ons zelven vrolyk maaken? hernam hy: neen zeker zeide ik, uw gezelschap is al wat ik wensche! Wel nu, sprak hy, ik zal dan myne neiging voldoen: en hier op spoeide hy naar beneden. Na het ontbyt bleeven wy met den Heer Grandisson alleen. Karel vatte zyn Vader de hand en zeide.
Mag ik u iets vraagen Papa? Is het u het zelfde wie van myne Vrienden ik onthaale?
O Ja,
Ik mag dan met dat geld, dat gy my gegeven hebt doen wat ik wil?
Ja wel!
Dan weet ik al wie myn verjaardag zullen helpen vieren.
En wie?
Maar ik vrees, Papa gy zult het afkeuren.
Neen, gy kunt het vry zeggen: het zal my welgevallen; gy hebt noch nooit eenig kwaad gebruik van uw geld gemaakt. Vind gy best 'er iets voor te koopen, dat u behaagt, het staat aan u.
Vergeef my, Papa! Ik hebbe meer dan my behoeft. Ik wil dat men zich op myn verjaardag vermaake; en zie hier wie ik daar toe verkieze: het zullen de arme eerlyke Huisgezinnen in onzen omtrek weezen. Onze Gerard, by wien dezelve meest allen bekent zyn, heeft my daar van eene juiste opgaave bezorgt. Hoe verge-
noegt zullen die elendige behoeftigen weezen, met de kleine uitdeeling, die ik hun doen zal. - Al zy, wie ik by my zou verzoeken, hebben overvloed in alles, zoo wel als ik; en de ongelukkigen, die ik vergasten zal, zyn somtyds twee dagen zonder brood. Hoe bly zullen zy zyn met de verkwikking, die ik hun zal toebrengen, en die blydschap zal my meer verheugen, dan al het zingen en danssen, dat ik met myne Vrienden zou doen. - Maar is het wel met uw goedvinden Papa?
Kunt gy denken, dat dit niet met myn goedvinden zou zyn, myn waarde Kareltje! Ik pryze uwe weldadigheid: uw veertiende jaar, dat gy zoo wel begint kan u niet dan geluk belooven; de goedheid van uw hart zal niet onbeloont blyven.
Ik acht die geringe weldaad niet dan eene pligt te weezen; hoe veele geschenken hebbe ik geduurende het verloopen jaar niet van den Hemel ontfangen; 't is dan niet meer als recht, dat ik een weinig aan myne arme medeschepselen daar van te rug geeve.
Wel gezegt, myn Zoon? - Welaan voldoe uwe loffelyke drift: geef uwe bevelen aan een der bedienden diesweegen naar uw welgevallen; gy zult gehoorzaamt worden.
Wat zegt gy van dit alles, lieve Mama? Och waare ik ook ryk, ik zou doen gelyk Karel.