terug  begin  verder
[p. 154]origineel

XLI. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 27 Augustus.

Wy hebben gister zoo veel vermaak niet gehad, als wy gedacht hadden: toen wy uitreden was het mooi weder; maar het begon wei haast zoo sterk te regenen, dat wy in eene kleine Herberg moesten aftreden om de buy te laaten voorby gaan: Eduard was 'er knorrig over: Emilia bedroeft: my speet het ook; maar de verstandige Kareltje, die zich naar alles weet te schikken, was niet minder vrolyk dan naar gewoonte, zoo als gy uit ons gesprek zult zien, Mama.

Eduard.

Dat is nu immers elendig, dat het regent; nu kunnen wy geen vermaak hebben.

Karel.

Wy zullen hier thee drinken: het zal misschien ophouden; zoo niet, wat

[p. 155]origineel

raad! Wy kunnen het Rytuig toe laaten maaken.

Emilia.

Dat is niet zeer vermaaklyk; ik wenschte dat het liever droog weer waare.

Karel.

Gy wenscht dat het droog weer waare, om u te vermaaken, en onze Landman wenschte dees morgen om regen, om dat de planten en gewassen vogt nodig hebben; wiens wensch is nu nuttiger?

Willem.

Die van den Landman dunkt my.

Karel.

Ja gewis! Als het niet regende, zou alles verdroogen en sterven. Zou het ons niet smarten. als 'er geene vruchten kwamen? zouden wy niet ongelukkig zyn als het Koorn door de droogte op het Veld verbrandde en dat wy als dan geen brood hadden?

Emilia.

Dan zouden wy wel haast sterven moeten.

Karel.

Wel nu! wees dan bly als het regent zoo wel als by mooi weder: de regen is nut-

[p. 156]origineel

tig, zoo wel als de zonneschyn. Gy zult zien hoe frisch het groener uit zal zien als het ophoud: 't zal weezen of de bloemen en kruiden nieuwen koleuren hadden gekreegen.

Emilia.

Ik zal nooit weer moeylyk tegen den regen weezen.

Eduard.

En ik wenschte, dat het liever deezen nacht of morgen geregent had.

Karel.

Die dees nacht of morgen op reis moeten gaan, zullen weer wenschen, dat het liever nu regene; aan wie moet nu God voldoen?

Emilia.

Daar heeft Karel gelyk in; wy zyn immers by God niet meer als andere menschen.

Willem.

't Is onmogelyk, dat wy al te maal op aarde het naar onzen zin kunnen hebben.

Karel.

Geloof my! wy zouden elendig weezen, als God ons altoos inwilligde: en, waarde Zusje! wat is het missen van

[p. 157]origineel

ons vermaak voor één dag te rekenen, by al het goed, dat wy zelve. en zoo veele andere menschen, misschien van dien regen te wachten hebben?

Emilia.

Ey kyk! die arme Vogeltjes! Ik beklaag hen.

Karel.

Zy zullen zich wel verschuilen als het hun verveelt: ten andren hunne veeren, zoo als de Heer Bartlet zegt, hebben eene soort van vettigheid in zich, die hen belet nat te worden.

Emilia.

Daar ben ik bly om. God heeft toch alles wyslyk gemaakt.

De regen begon hoe langer hoe sterker te worden; dus verkoozen wy om maar weer naar huis te ryden. Emilia ging zich vermaaken met haar Kanaryvogeltje: Karel en ik hielden ons bezig met Paletten, 't welk wy zeer dikwyls doen, want het is goed voor de gezondheid: en Eduard was knorrig, en zogt zyn troost in zyn hond te plaagen. Zoo maakt men zich zelve ongelukkig, als men zich de minste tegenheid

[p. 158]origineel

zoo aantrekt. - Ik voor my, ik zal my altoos trachten te schikken naar de ongelegenheden, die my voorkomen: want men plaagt zich zelve maar als men ongeduldig is. - Vaarwel, lieve Mama! Vaarwel! vereer my met uwe waarde Brieven.

terug  begin  verder