Och! Mama lief! de arme Emilia heeft gister een droevig ongeluk gehad. Het lieve Meisje! Ik beklaag haar zoo; nooit hebbe ik haar zoo bitterlyk zien schreiën. Karel en ik hadden ons vermaakt met werken in ons Tuintje: Wy traden naauwlyks in huis of Emilia kwam ons tegen loopen: zy snikte, en kost niet spreeken van ontsteltenis. - Hemel! riep ik, wat is 'er gebeurt? hoe schreit de jonge Juffrouw! Maar gy zult het alles hooren, lieve Moeder uit het volgende gesprek.
Wat is het, lieve Zusje! is 'er een ongeluk?
Och! myn lieve Broeder! Ik ben zoo bedroeft! ik ben zoo bedroeft!
Zeg my toch waarom? gy ontstelt my: heeft Papa of Mama eenig leed?
Och, neen, Och, neen; maar ik durf het u niet zeggen: het zal u zoo spyten.
Wat raad, lieve Zusje? zeg het my schielyk, als ik het toch weeten moet.
De Kat heeft myn lieve Kanaryvogeltje opgegeeten: gy had het my gegeeven: het zong zoo mooi: het was zoo mak.
't Is jammer, ik beken het, myn Lieve; maar wat zullen wy 'er aan doen? de zaak leid 'er toe; en gy zult het door al uwe droefheid niet weder in het leeven krygen,
En waarby is dat toch gekomen Juffrouw? gy droeg 'er zoo veel zorg voor.
Ik had het Vogeltje, zoo als ik dikwerf deed, uit de kooi gelaaten: het at noch zyne laatste zaadjes uit myne hand; ik ging voor een oogenblik naar beneden, om myn borduurwerk aan myne Moeder te
vertoonen: ondertusschen had de Meid de Kat in de kamer laaten sluipen, die wel haast het arme beestje kreeg en op at; ô had ik het maar eerst weêr opgesloten.
Dat waar best geweest; maar gy hebt dit niet bedacht.
Wy moeten nooit weer spreeken by Mama voor die lelyke Meid.
Zy heeft het niet met moedwil gedaan; zy houd te veel van u, om u leed aan te doen; het is een ongeluk, ik ben verzekert, dat het haar zelf spyt.
Nu, laat ons dan ten minsten de Kat opzoeken: ik wil die braaf slaan.
En waarom; Die Kat kan dat niet helpen; zy heeft niet geleert de Vogels te ontzien; het is haar aard Vogels en Muizen te vangen: alle Katten zouden het zelfde doen; had gy haar geslagen op het oogenblik, dat zy het kwaad deed, dat zou goed geweest zyn, om het haar in het vervolg af te leeren; maar nu is zy al vergeeten, wat zy gedaan heeft, en by gevolg dient die straf nergens toe.
Ik ben ondertusschen myn lieve Kanary kwyt.
Gy kunt die door de Kat te slaan niet weer krygen. Gy moet'er u in troosten.
Ik kan my niet troosten: ik wenschte dat 'er geene Katten in de waereld waaren.
Die wensch is kwaad Zusje; God heeft de Katten zekerlyk tot nut geschaapen: zy vangen immers de rotten en muizen, die anders veel kwaad zouden doen.
Nooit zal ik myn Vogeltje vergeeten.
Hoe zou het dan gaan als gy eens iets moest missen van grooter gewigt? in allen geval 'er zyn meer Kanaryvogels.
Zo lief niet.
Vergeef my! ik zal trachten 'er een weder te krygen; die eeven mak zal weezen.
Gy zyt wel goed Broeder! Maar, och! dit beestje had my zoo lief: het volgde my na.
Het had u niet lief; geloof my! het was maar alleen niet bang voor u. Het volgde u na, om dat gy het eeten gaaft.
Was het maar zyn eigen dood gestorven, ik zou het vergeeten; maar zoo ongelukkig!
Een andre dood zou misschien harder voor hem geweest zyn: hy heeft 'er niet veel van gevoelt.
Denkt gy dat Karel? dan ben ik te vreden, en ik vergeef het de Kat.
Gy zyt een lief Meisje!
Op deeze wys zal ik met zusje Annette ook spreeken, als ik weer t'huis zal zyn. Ik zie met vreugt uit uwe brieven, dat gy zoo wel over haar voldaan zyt, Mama lief! Heb de goedheid haar voor my te kussen en zyt altoos verzekert van myne eerbied en gehoorzaamheid. Ha! ik wilde u zeggen, dat Kareltje een fraai Hondje gekreegen heeft.