terug  begin  verder

XLVIII. Brief.
Willem aan zyne Moeder, Den 6 September.

Och! myne waarde Mama, alles is hier in de uiterste benaauwtheid. Karel, die dees morgen vroeg te paard is uitgereden, met een der Bedienden om by den Heer Friendly een bezoek af te leggen, en die vol-

[p. 26]origineel

gens ordre van zyn Vader ten zes uuren had moeten t'huis zyn, is 'er noch niet, en 't is reeds negen. - Nooit overtreed hy de bevelen zyner Ouderen: gewis, hy moet eenig ongeluk hebben; het is verschrikkelyk donker, en een droevig weder. - De Heer Grandisson heeft een Postiljon afgezonden, om tyding van hem te hebben: hoe verlang ik naar desselfs terugkomst!

Elf uuren.

Welk eene droef heid! De Postiljon is zoo eeven weerom gekomen, met bericht dat Kareltje met den Knecht reeds om vier uuren vertrokken was. Och myne dierbaare Mama! waar kan hy weezen? - verdronken, vermoord misschien. Mevrouw Grandisson zal het besterven: Emilia doet niet als schreiën; Eduard loopt als een zinnelooze door het huis; nu zie ik, dat hy zyn Broeder bemint. De Heer Grandisson tracht Mevrouw te troosten, en is zelve raadeloos. Hy heeft, langs verscheiden wegen, menschen te paard afgezonden om zyn lieven Zoon op te speuren, en wacht maar met verlangen den dag af, om zelf zich op

[p. 27]origineel

weg te begeeven. - Och waare ik mede gegaan; ik wilde met myn Vriendje wel alle gevaaren doorstaan; de tedere Mevrouw Grandisson wilde dat ik t'huis bleeve om dat ik eene kleine verkoudheid hebbe. Hadde ik haar gebeeden, gesmeekt, zy had my laaten gaan, misschien; doch dat is nu te laat. - Waar zal ik blyven met zulk een angst. - Ik kan niet schryven, ik weet niet wat ik zegge.

Een uur. - En noch geen Kareltje. Niemant is hier te bed; Wie zou ook slaapen kunnen. - De Bedienden wringen de handen van droefheid; Eduard en Emilia roepen beurt om beurt: Och myn lieven Broeder! Och myn Broeder! en dat benaauwt my noch meer. - Och waare het reeds dag.

Half vyf uuren.

De Hemel zy dank; Mama! Kareltje is behouden: De Bediende, die met hem mede is geweest, is zoo eeven t'huis gekoomen. Myn Vriendje is zeer wel; en echter is het buiten zyne schuld dat hy ons zoo in ongerustheid heeft gelaaten. Geen vermaak, geen vrolyk gezelschap heeft hem weerhouden, neen lieve Mama! hy verdient niet

[p. 28]origineel

gelaakt, maar gepreezen te worden - Doch dewyl Mynheer Grandisson begeert, dat wy allen noch eenige uuren gaan slaapen, om dat de ongerustheid, die wy deezen nacht hebben uitgestaan, ons niet nadeelig zou zyn, zal ik het bericht van het voorgevallene voor een andren Brief laaten.

terug  begin  verder