terug  begin  verder

L. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 8 September.

Wy hebben Kareltje weer hier, lieve Moeder. Och, hoe bly was ik hem te zien! Hy scheen een engel in myn oog. De oude Majoor is beter, en zal wel ras weer ten vollen herstelt zyn.

 

Wy zaten dees morgen aan het ontbyt en waaren hem noch niet verwachtende. Emilia zach hem het eerst: zy vloog van haaren stoel: daar is myn lieve broertje Karel, riep zy uit, en zy ging naar beneden, zoo ras zy konde. Zy traden hand aan hand binnen: Karel liet haar los aan de

[p. 37]origineel

Deur, en liep in drift naar zyn Papa. Hy wierp zich op de kniën, en kuste zyn Vader de hand. - Doch ik zal u hier woordelyk het gesprek mede deelen myne goede Mama!

Karel.

Kunt gy my vergeeven, waarde Papa en Mama, dat ik u zoo veel ongerustheid hebbe aangedaan?

De Heer Grandisson.

Staa op, myn Zoon! Laat my u omhelzen! gy zyt my dierbaarer dan ooit: onze ongerustheid was buiten uwe schuld. Gy hebt uw pligt omtrent uwen eevenmensch betracht zonder uwe ouders te vergeeten. - Hoe vaart uwe zieken?

Karel.

Ik ben getroffen door uwe goedheid Papa. - De Majoor is beter, doch noch zwak, zyn wond staat zeer wel.

Mevrouw Grandisson.

Maar, myn Lieve! is hy noch in het boere Hutje? zal men wel zorg voor hem draagen?

Karel.

Ja, myne geëerde Mama: zyn Zoon zelve is nu by hem. De oude Heer, zoo ras hy weer by zich zelven kwam be-

[p. 38]origineel

richtte my zyne woonplaats, die niet meer dan vyf uuren afgeleegen was, en alwaar zyne Kinders woonen: ik zond 'er heen, en de oudste der jonge Heeren kwam daadlyk by ons. Welk eene gerustheid voor my, een lydende Vader in handen van zynen Zoon te mogen stellen!

De Heer Grandisson.

Maar heeft de goede Majoor middelen om zich het nodige te doen verzorgen?

Karel.

Ja wel, myn waarde Papa, en ik neem de vryheid u deeze goudbeurs, die uwe menschlievenheid my met Jan had toegezonden, weder te geeven, met al het geene 'er in geweest is, ik hebbe daar van geen gebruik behoeven te maaken.

De Heer Grandisson.

Dan is dezelve voor u myn Zoon!

Karel.

Voor my Papa?

De Heer Grandisson.

Ja ik schenke u die, als het merkteken onzer blydschap over uwe menschlievenheid; uw edelaardig mededoogen, met zoo veel moed gepaart, verdient dat wy u ons genoegen toonen. Vervolg

[p. 39]origineel

uw leevensloop zoo als gy dien begonnen hebt: bewaar uw hart altoos voor verleiding: de minste smet zou kwaalyk staan aan eene ziel zoo schoon als de uwe.

Karel.

Ik staa verstomt over uwe goedheid Papa; Ik vreesde uw toorn, en gy vergunt my integendeel uwe goedkeuring.

Mevrouw Grandisson

Maar hoe hebt gy dees nacht doorgebragt in uw Hutje? Gy zult zoo veel gemak niet gehad hebben als in uwe Kamer.

Karel.

Geloof my waarde Mama, ik dacht weinig om my zelve; ik had niet voor oogen dan een stervenden Gryzaart, dien ik vreesde ieder ogenblik den geest te zien geeven.

Mevrouw Grandisson.

Gy hebt dan niet geslaapen?

Karel.

Ik had eenig zuiver stroo voor my op den grond doen leggen voor het bed van den Zieken; maar ik hebbe 'er my niet van bedient, de ongerustheid over u, en alle die hier zyn, en de angst over den Zieken hielden my den slaap wel uit de

[p. 40]origineel

oogen; had ik dan noch geweeten dat gy den gantschen nacht in onzekerheid over my waard, welk eene benaauwtheid zou dan myn hart geleeden hebben!

Emilia.

Arme Kareltje, op stroo te moeten leggen!

Karel.

Ik zou daar op zoo wel geslaapen hebben als op myn donsbed, indien myn hart gerust waare geweest.

De Heer Grandisson.

Karel heeft gelyk: 't is 't vergenoegen van den geest, en de gezontheid van 't lighaam, die den slaap bevorderen; het zachtste bed, zal aan een rusteloozen geen slaap verwekken.

Eduard.

Wie weet, als ik eens in den Krygsdienst zal zyn, hoe menig nacht ik op stroo of zelf onder den blooten Hemel zal moeten doorbrengen.

De Heer Grandisson.

Dat kan gebeuren, Eduard! en voor dat men eene verkiezing maakt van leevenstand, moet men zich waapenen tegen de onaangenaamheid, die dezelve mede brengt, altoos bedenkende dat

[p. 41]origineel

alle staaten van het leeven met voor en tegenspoed, met vermaak en ongeneuchten vermengt zyn.

Eduard.

Ja wel Papa, De Koning zelf heeft zoo wel zyne zorgen en tegenheden als de geringste Amptenaar.

De Heer Grandisson.

Onthou dit altyd, myn Zoon, en uwe pligten zullen u altyd ligt vallen.

‘Hoe bly ben ik, sprak Karel, toen wy alleen waaren, dat myne Ouders over my te vreeden zyn. Ik hebbe in myne behulpzaamheid voor den Majoor alleen de neiging van myn hart gevolgt, zonder wel te overweegen, dat ik noch geen meester over my zelve ben: de pligt omtrent onze Ouders is onze eerste pligt; maar wat konde ik doen? Ik zou my nooit hebben kunnen vergeeven, indien ik daar op den weg een ouden Gryzaart had laaten sterven. Nu hebbe ik hem gered: de Hemel zy gedankt dat ik gelegenheid hebbe gevonden, om myn eevenmensch van dienst te zyn.’

[p. 42]origineel

Beminnelyk Vriend barste ik uit, dit is al wat ik zeggen konde Mama: myne oogen werden vol traanen, en ik omhelsde hem. O hoe schoon is de deugt! hoe aanbiddelyk is het mededogen!

terug  begin  verder