terug  begin  verder

LI. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 9 September.

Ik hebbe u al weder een bewys mede te deelen, Mama lief, van de edele zachtmoedigheid van mynen Vriend. Neen 'er is zulk een voortreffelyk jongheer niet meer in de waereld als hy.

 

De Graaf van N... had hem eenige dagen geleeden, zoo als ik u geschreeven hebbe, een zeer fraai Hondje verëert. De jonge Falkland, een onzer jonge Buurheeren, had dit Hondje reeds verscheiden maalen van den Graaf. verzocht; doch hy had het niet mogen hebben, om dat hy zoo hard met beesten handelt. Begryp nu, Ma-

[p. 43]origineel

ma, dat die Falkland reeds vyf honden heeft; wat zegge ik? ik geloove dat hy geene andere bezigheid zoekt, dan zich met beesten te vermaaken: want hy heeft allerlei dieren, honden, katten, egels, duiven, vogels een aap een papegaai en veel al. 't Is een teken van weinig deugt al zyn tyd aan zulke vermaaken te verkwisten (daar ieder ogenblik, dat voorby is nooit weder komt) in plaats van dien te gebruiken om zich in weetenschappen en nutte kunsten te oeffenen. Nu hy was dan, hoe veele beesten hy ook reeds hebben mooge, zeer moeyelyk dat Hondje van den Graaf niet gekregen te hebben. Wat is 'er gebeurt? Karel heeft het maar ruim veertien dagen gehad, en toen is het gestorven; en nu is het ontdekt door een der Bedienden van Falkland, dat zyn jongen Heer het arme beestje uit nyd vergeeven heeft - Welke monsters zyn 'er in de Waereld! ja, 't is een monster, dunkt my, die een ander durft berooven van iets, dat hy toch zelf niet hebben kan, alleen om hem te plaagen; doch het volgende gesprek, dat wy onder eene wandeling in den Tuin hadden, zal u doen zien, Mama! hoe Karel dit onrecht beantwoordde.

[p. 44]origineel
Willem,

Hoe spyt, my de dood van uw lieve Hondje, Mynheer!

Karel.

'K beken het, ik ben 'er droevig over; ik dacht niet dat het verlies van een Hond my zoo sterk aan zoude doen. - Maar het beestje was byzonder fraai, en van een getrouwen aard.

Eduard.

Hoor 't is een schelmstuk van Falkland dat arme dier zoo te vermoorden; als 't my gebeurde, ik zou 't hem nooit vergeeven.

Karel.

Ik wel. Indien ik hem niet vergeeven kon, was ik eeven slegt als hy.

Eduard.

Gy zyt te goed! Ik voor my ik haat hem.

Karel.

Ik haat hem niet; maar ik veracht zyn Caracter. Ik beklaag hem, want het is ontwyffelbaar dat hy een ondeugend mensch zal worden: een nydig hart verbetert zich zelden: ten tweeden: een onnozel dier zonder nut, en alleen om iemant 'er van te berooven van kant te helpen, toont eene wreedheid aan, die niet veel goeds voorspelt.

[p. 45]origineel
Eduard.

Eergister noemde dat valsche monster u noch zyn Vriend.

Karel.

Dit toont ons, lieve Broeder, dat wy juist niet altyd op dien naam van Vriend vertrouwen moeten, en dat wy eerst iemant wel moeten kennen, eer wy hem tot onzen vriend verkiezen. Ik voor my ben in dat geval een weinig voorzichtig.

Eduard.

Maar zult gy noch langer met zulk een jongen verkeeren?

Karel.

Zoo weinig als mogelyk is; 't gezelschap van iemant, die zoo laag denkt als de jonge Falkland, kan dunkt my niet zeer nuttig zyn.

Eduard.

Bravo! dat is naar myn zin gesprooken. - Maar wilt gy zien dat ik hem eens braaf om de ooren geef? Zeg ja, als gy durft.

Karel.

En waarom dat? zyne ooren zullen my myn Hondje niet weer geeven.

Eduard.

Nu dan: hy heeft vyf Honden, laat ons die altemaal vergeeven; dat verdient hy ten minsten.

[p. 46]origineel
Karel.

Maar de arme Honden verdienen dat niet.

Eduard.

Ik ben nieuwsgierig te weeten, wat Papa van dat mooye stuk zal zeggen: hy heeft ons altyd afgeraaden veel met dien knaap te verkeeren.

Karel.

Dat is een teken, dat Papa zyn slechten aard doorgrondde, en ik leer hier uit, dat ik my naar de keus van myne Ouderen moet richten, in het verkiezen van Vrienden. Ik voor my zal hun altyd daar in om raad vraagen; zy zyn voorzichtiger en hebben meer ondervinding, dan wy Jongelingen; zy weeten de goede en kwaade Caracters beter te onderscheiden: op deeze wys zal ik altoos bewaart blyven voor verleidende gezelschappen, die myn hart zouden bederven. - Maar Eduard! wy moeten aan Papa niet zeggen, dat Falkland myn Hondje vergeeven heeft; wy moeten hem beschaamt maaken, door te toonen, dat wy beter denken als hy.

Willem.

Gy zyt wel edelmoedig Mynheer.

[p. 47]origineel
Karel.

Laat ons van wat aangenaamers praaten; myn Hondje is dood, ik moet 'er my in troosten. - 't Is een recht lieve, avondstond!

Eduard.

Maar, ik bidde u zie! wat is daar ginder in dien boom?

Willem.

Het schynt een vogel te zyn.

Eduard.

Welk een geluk! Het is de Papegaai van Falkland, die zich verhangen heeft, hy zal hem ontvlogen zyn: hoe zal het hem spyten! Hy zou dat beest voor geen tien Guinees gegeeven hebben: dat is voor zyn straf!

Karel.

Och Eduard het arme dier leeft: Wy kunnen 'er met een kleine ladder by klimmen.

Eduard.

Om hem aan Falkland weer te geeven is 't niet waar?

Karel.

Om wat anders?

Eduard.

Hy heeft uw Hond vermoord, en gy wilt zyn Papegaai het leeven geeven.

Karel.

Ja, en ik verheug my dat ik kwaad met goed vergelden kan.

[p. 48]origineel
Eduard.

Kon het geval u ooit beter dienen om u te wreeken van dien Guit?

Karel.

Ik kan my niet beter wreeken, dan door hem te toonen dat myn hart beter is als het zyn.

Eduard.

Ik bidde u......

Karel.

Ik hoore u niet.

Karel haalde hier op een ladder en klom in den boom, alwaar de Papegaai tusschen een spleet van een tak met zyn poot was vast gehaakt. Hy redde denzelven en zond dien terstond door een Bedienden aan den jongen Falkland te rug.

 

Wat dunkt u van myn Broeder? sprak Eduard. Kunt gy hem mispryzen? vroeg ik: neen, antwoordde hy; maar ik ben tot noch niet volmaakt genoeg om hem na te volgen: Gy zult het worden als gy wilt, zeide ik: zoo schoon een voorbeeld zal ons gewisselyk beter maaken.

 

Karel kwam hier op weer by ons, de vergenoeging blonk uit zyn gezicht. Och! Mama lief! bewaar als 't u gelieft myne

[p. 49]origineel

Brieven, op dat ik al die trekken van edele zachtaardigheid dikwyls moge naleezen als ik weder te huis zal zyn. - Vaarwel, Vaarwel myne dierbaare Moeder!

terug  begin  verder