terug  begin  verder

LIII. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 11 September.

Wy hebben gister by het inzaamelen der winter-vruchten geweest, Mamaatje, en dit was een gantsche Feestdag voor my. De Tuinluiden klommen in de hooge boomen, en plukten de appels en peeren van de nederhellende takken; andere ontfingen dezelven in korven. Wy, namentlyk, Karel, Emilia en ik plukten die der laage stamboompjes. Eenige Boerinnetjes hadden van verre onze bezigheid aangezien,en een van dezelve sprak, wanneer wy gedaan hadden, den Tuinman aan wyzende geduurig op Karel. Myn Vriendje zach het, en riep hem; doch ik zal u het overige liefst door hunne saamenspraak zeggen.

[p. 50]origineel
Karel.

Wat wil dat goede Meisje?

Tuinman.

Wat zal ik u zeggen, Mynheer! een iegelyk weet hier omstreeks dat gy zoo goed en weldaadig zyt: zy verzocht my u te vraagen om een weinig appels voor haare zieke Moeder.

Karel.

Voor eene zieke Moeder? zy is een braaf Kind: Ga, geef 'er haar zoo veel zy draagen kan: haare kinderliefde verdient het.

Tuinman.

Ik zal 'er haar dan eenigen van die kleine geeven: die zyn toch niet zeer goed van soort.

Karel.

Hoe! gy wilt aan een zieken iets geeven, dat niet goed is; neen geef haar van de beste. - Hebt gy niet gezegt dat'er in dit jaar meer vruchten zyn dan in het voorleeden?

Tuinman.

Ja, Mynheer! dat scheelt zeer veel: wy hebben een zeer goeden oogst.

Karel.

Wel nu, laaten wy dan van dien overvloed, dien God ons schenkt, ten minsten een weinig terug geeven aan hun, die niets hebben.

[p. 51]origineel

Tuinman. 't Is wel met reden, dat men u zoo pryst, waarlyk gy zyt de goedheid zelve. - Ik ga u gehoorzaamen, want ik weet, dat al wat gy doet uws Vaders goedkeuring heeft.

Eduard.

Ik misprys u niet, Karel! maar ik mag niet lyden, dat dat gemeene Volk altyd wat heeft te vraagen.

Karel.

Indien zy nooit vraagden, zouden zy zelden iets krygen. - Lieve Eduard! wy vraagen wel dagelyks aan God, laat het dan ten minsten die goede luiden vrystaan om aan ons te vraagen.

Emilia.

Karel heeft wel gelyk; en zou het ook niet bedroeft weezen, dat wy zoo veel zouden hebben, en die arme menschen niets. Ik zal het aan Mama zeggen, en ik ben verzekert, dat zy aan dat Meisje een groote mand vol zal zenden.

Karel.

Dat is braaf, Emilia! die goedheid doet u eer aan.

Willem.

De Appels en Peeren zyn zeer gezonde vruchten, geloof ik, en zy

[p. 52]origineel

zyn van des te meer waarde om dat ze zoo lang duuren.

Karel.

Die opmerking is wel recht, myn Vriendje! welk eene wysheid en gunst van God, dat hy voor ons ook zorgt in den winter als de aarde niets aangenaams kan voortbrengen. De Almagtige bestuuring is verwonderlyk: moet men geene eerbied hebben voor den Schepper als men dat bedenkt?

Ja, Mama lief! Ik wil altyd eerbied hebben voor dien God, die zoo mildelyk voor ons zorgt. Hoe veele Menschen zyn 'er, die al dien winter voorraad gebruiken, zonder ooit te denken op Hem, die denzelven gegeeven heeft, en dat is wel onvergeeflyk. - Nu vaar altyd wel Mamaatje, en denk aan uwen gehoorzaamen Zoon.

 

Zoo eeven krygt de Heer Grandisson een Brief van den Graaf van D ... een der eerste Kamerlingen van het Hof om Kareltje by hem te ontbieden: wat dit weezen zal is onbekent. - Myn Vriendje vertrekt dus op morgen met den Heer Bartlet naar

[p. 53]origineel

Londen. Och! hoe verlang ik naar zyne terugkomst, want ik vrees, dat ik met Eduard niet veel genoegen zal hebben. Hy zal my schryven lieve Moeder, en ik zal u zyne Brieven toezenden.

terug  begin  verder