terug  begin  verder

LIV. Brief.
Karel aan Willem, den 14. September.

Wat ons schielyk vertrek naar Londen zal uit werken, weete ik tot hier toe niet, myn beste Vriend! - Wy hebben eene tegenspoedige reis gehad: dwaaze Menschen zouden zeggen, dat dit niet veel goeds beduid: maar wy, William, wy hebben wyzer lessen gekregen, en houden ons niet op met die bygeloovigheid, die het menschelyk verstand, schande aandoet.

 

Voor eerst wilde een van onze Paarden niet voort, en dit maakte de anderen mede onwillig: men gaf het braaf zweepslagen, het ging my aan 't hart, want ik geloof,

[p. 54]origineel

dat het arme dier vernagelt is, en dan konde hy het niet helpen. Waarlyk, ik kan een zoo gedienstig en nuttig dier niet met hardheid zien behandelen. - Maar dit was noch niets; omtrent halfwegen brak de As van het Rytuig; 'er was noch huis noch hof omtrent, en wy wisten geen ander middel, dan om uit te stappen, en te voet te gaan. Voor my zelf troostte ik my zeer ras over die tegenheid; maar ik was begaan met onzen waarden Heer Bartlet: het regenachtig weer, de koude, de moeyelykheid van den weg, deeden my voor hem vreezen. De Zon was reeds aan 't ondergaan. Ik raadde in het naatste Dorp te overnachten, en hy keurde dit goed. Wy lieten dan het Rytuig achter, en stapten voort, neemende alleen onzen Knecht Harry met ons. De regen werdt ondertusschen geweldig sterk. Wat zullen wy doen, Mynheer? zeide ik, zulk eene zwaare stortvlaag zal nadeelig aan uwe gezontheid zyn. Wy kunnen 'er niet tegen, antwoordde hy; best is het in de eerste boeren Wooning eene schuilplaats te zoeken. Maar dit gelukte ons niet zeer; wy hadden reeds by het half uur gegaan, zonder iets te ontdekken, en onze

[p. 55]origineel

kleederen waaren doornat. Eindlyk zagen wy, een weinig ter zyden den weg, een klein Huisje: wy spoeiden 'er naar toe, en vonden 'er een beleefden Gryzaart, byna krom van ouderdom en van zwaaren arbeid: eene oude Vrouw, die naauwlyks den eene voet voor den ander kost zetten: twee braave Zoons, en eene werkzaame Dochter. Zy ontfingen ons met zeer veele vriendelykheid. De gedienstige Zoons gingen met Harry te rug naar het Rytuig om het den Koetsier te helpen te recht brengen zoo goed mogelyk waare: de oude Man maakte onderwyl met zyne Dochter een goed vuur om onze kleederen te droogen. - Welk eene verkwikking! nooit, neen nooit hebbe ik het vuur zoo aangenaam gevonden als op dat oogenblik. Welk een zegen is het, dacht, ik dat 'er brandstoffen zyn om vuur te maaken, want men zoude anders in zulke gevallen van ongemak moeten sterven; maar ook hoe moeten toch armen behoeftigen gestelt weezen, die, als zy nat en verkleumt van koude zyn, geen vuur hebben? Laas! die ongelukkigen zyn dan wel te beklaagen, en ik kan daar aan niet denken zonder droefheid. - Ons Rytuig werdt

[p. 56]origineel

eindlyk aangevoert; doch 't was te laat om verder te ryden: wy waaren genoodzaakt daar te blyven. Ik keek dit klein Huisje eens in 't rond; welk een onderscheid tusschen ons fraai gebouw, en dit dacht ik; maar zyn die Menschen minder te vreeden dan wy? vroeg ik verder in my zelve; neen zy zyn eeven vergenoegt in hun geringen staat als wy in den onzen, mits dat zy het nodige hebben: alles is doch maar eene gewoonte; en waarlyk myn waarde William dit laage Hutje scheen in dit denkbeeld voor my eeven goed als een Paleis.

 

‘Wel aan, zeide de oude Man, gy zyt my welkom Heeren, en schoon ik u niet kan onthaalen volgens uw staat, de boersche maaltyd, die myne Dochter u zal voorzetten, zal zindelyk, en wel toebereid weezen: Ons bed, waar op gy u gerust kunt nederleggen, is tot uw dienst;’ De Heer Bartlet wilde dit laatste niet anneemen, om de goede Luiden geen ongemak aan te doen; doch de Huisman hield zoo lang aan, zoo wel als zyne Vrouw, tot hy hem overhaalde. - Wel haast werdt 'er een tafeltje voor ons beiden vervaardigt;

[p. 57]origineel

neen, zeide de Heer Bartlet, zoo ras hy dit zach, neen Huisman, wy moeten met elkander aanzitten, dan zal ons het eeten best smaaken. Wy zouden dat niet hebben durven doen, was 't antwoord; maar dewyl gy 't zoo begeert Mynheer, zult gy gehoorzaamt worden. Het vriendelyk en boersch gerecht werdt opgebracht: een goed stuk rundvleesch: een schotel groente; goede boter en kaas: eenige vruchten, was alles: en, geloof my, myn Vriend, ik hebbe nooit met meerder smaak gegeeten. Behoeft men wel aan ryke tafels te gaan om vergenoegt te zyn? Neen, de veelheid van gerechten beneemt dikwerf de eetlust, en een eenvoudige maaltyd is veel gezonder als alle die syne lekkernyen, die de Grooten dagelyksch op hunnen disch vereischen. In 't kort wy waaren zeer vergenoegt over onzen intrek'. Ik sliep den gantschen nacht zoo gerust, dat de Heer Bartlet werk had my wakker te krygen, en wy vertrokken na het neemen van een verfrisschend ontbyt, en naa de goede luiden onze dankbaarheid betoont te hebben - Vaarwel, myn beste Vriend! Op morgen gaan wy by den Graave van D... en dan hoop ik u nader te schryven.

terug  begin  verder