terug  begin  verder

LVIII. Brief.
Karel aan Willem Den 18 September.

Ik hebbe een aller yslykst schouwspel voor oogen gehad, dat my tot in de ziel bedroeft heeft. Ik hebbe een Vader, die zyn eigen Zoon den doodsteek heeft gegeeven, door het Gerecht zien weghaalen: Ik hebbe den elendigen Zoon zien sterven.

 

Hoe! zult gy zeggen, heeft een Vader zyn Zoon den doodsteek gegeeven? Ja, myn Vriendje! zoo komt het eindelyk als Ouders hunne Kinders niet in den band houden, en hen van jongs aan bewaaren voor ondeugt. - Die ongelukkige Zoon was naauwlyks zeeventien jaaren oud: hy bemindde van zyne eerste jeucht alle slechte en

[p. 73]origineel

buitenspoorige vermaaken; het kaartspel was zyn geliefste tydverdryf hier mede, en met andere zotte verkwistingen verteerde hy al zyn zakgeld, en hy maakte booven dien veele schulden: zyn al te goede Vader had die reeds tweemaalen voor hem betaalt om dat hy niet vastgezet zou worden; het hielp niet, hy ging al weer den zelfden gang, en had geene de minste eerbied voor den ouden man. Zyne Moeder was reeds van droefheid gestorven; niets verbeterde hem. Hy speelde den meester over zyn Vader, over zyn Vader! waar aan hy het leeven verschuldigt was. - Myn God! kunnen 'er zulke Kinders zyn! - Indien men hem geen geld gaave, om aan zyne ondeugende driften te voldoen, dreigde hy alles in huis, te vernielen, en hy zach, dat hem dit gelukte; doch de goede oude Heer, eindlyk ziende, dat hy door zulke verkwistingen ten eenemaal verarmde weigerde het; wat deed de snoode jongeling? hy ontziet zich niet zyn naam en geslacht te onteeren, en begaat, om geld te krygen, een laagen diefstal; het wordt daadlyk den Vader aangedient, die daar op woedende den degen trekt en den Zoon naar 't

[p. 74]origineel

hart steekt, de elendige gryzaart ziet naauwlyks denzelven nedervallen, of hy werpt zich op de kniën uitroepende, Myn God, wat hebbe ik gedaan! Maar 't is te laat: de wonde is doodlyk: - Ach, had Milord zoo veel gekke goedheid niet gehad! had hy den schuldigen gestraft, toen het tyd waare! had hy hem gevangen doen zetten! had hy in alles zyne magt als Vader getoont! het ongeluk, dat hem nu misschien het leeven zal kosten zou niet gebeurd zyn. Wat zal het nu weezen? hy zal op een Schavot dat leeven moeten missen, - Och! had ik het vermogen, ik vloog naar 't Hof en deed een voetval voor hem, - William! 'er moest eene wet zyn, die zulk een Vader in het begaan van dergelyk een moord vryspraake: een Vader behoorde Opperrechter in zyn huis te weezen: hy moest een volstrekte magt hebben over zyne kinders, - Hoe schreit myn hart van medelyden!

 

De jongeling heeft zyne wonden niet lang overleeft: Wy waaren ooggetuigen van zyn lyden; hoe afgryselyk waaren zyne laatste oogenblikken! Welke wroegingen, welke solteringen en benaauwtheid staat men uit

[p. 75]origineel

op zyn doodbed, als men zyn leeven niet wel heeft aangeleid! Hoe beklaagde hy zich, nu 't niet meer helpen kon, over zyne dwaalingen! hoe zeer wenschte hy nog maar een korten tyd te mogen leeven, om die te verbeteren. Hy durfde God niet bidden: O William! hoe verschrikkelyk is het God niet te durven bidden in zyn laatste uur, dan, wanneer men zyne gunst het meeste nodig heeft: Ik beef van zulk een sterven! - In 't kort hy gaf den geest, met een woedenden schreeuw; juist op het oogenblik, dat zyn Vader werdt weg gehaalt. - Ik voor my, meende te bezwyken van ontroernis. Neen! zulke yslykheden hoop ik nooit weer te zien. - Ik hebbe den gantschen nacht geen oog geslooten.

 

't Was my altoos bekent dat de wyze lessen en de bestraffing der ouderen de kinders moesten gelukkig maaken; maar nooit neen, nooit dacht ik, dat eene al te laffe toegeevenheid zoo zeer te vreezen waare, Laas! men liet deezen Jongeling alles doen wat hy wilde: ongehoorzaamheid, ledig loopen, vloeken, de bedienden te schelden en te sarren, was zyne gewoone wyze: de

[p. 76]origineel

Ouders zagen het aan, zonder iets te zeggen, en, bemerkten niet, dat hun zoon van dag tot dag erger werdt.

 

Och! hoe dankbaar ben ik aan de myne, die my tot weldoen hebben opgevoed: myne geringe seilen zouden misschien ook zoo zyn aangegroeit; ja, myn Vriendje! men begint altoos met een kleinen misslag: het kwaad neemt toe: men komt van erger tot erger, en men wordt in 't eind een volslagen deugniet. - Dat my myne Ouders straffen voor de minste misdaad, die ik begaa! dat zy nooit een enkel beginssel van ondeugt in my gedoogen: ik zal altoos hunne tedere en vriendelyke berispingen eerbiedigen, ja, de bestraffing van ouders is zoo zacht, zoo oprecht, zoo wenschelijk: zy zyn onze beste vrienden op aarde: al, wat zy zeggen tot onze verbetering, is zoo billyk zoo vol liefde die tekens van hunne genegenheid en zorg vorderen wel onze erkentenis gewisselyk ik dank God dat hy my ouders gegeeven heeft, die niet gelyk Milord my in het kwaad hebben laaten voortgaan, want het is daar aan alleen dat ik verpligt ben dat de verleiding der waereld my niet tot

[p. 77]origineel

ondeugt doe opwassen. - Vaar wel, myn Vriendje!

terug  begin  verder