Met welk een droef heid; met welk eene aandoening verneeme ik uit uwen laatsten brief, de ziekte van uwen edelmoedigen Weldoener.... Maar ik durve noch hoopen met u, myn lieve Willem, ja de Hemel zal een Man van zoo veel deugt en verdiensten, zoo geacht en bemint van al de waereld, wiens voorbeeld men, met recht om zyne voortreffelykheid aan een iegelyk ter navolging aanpryst, in het leeven te rug roepen.
Maar gy, myn Zoon! welk eene schoone gelegenheid doet zich hier op nieuw voor u op om u den dood, zonder verschrikking te leeren aanschouwen! Gy ziet hier met welk eene gerustheid, een Christen, die nooit van zyne pligten afwykt, die God bemint en eerbiedigt, die zyn grootste eer en vergenoeging stelt in het weldoen, zyn sterf-
uur durft verwachten. Gy ziet hier den braaven Heer Grandisson met een vrolyk gemoed het hemelsche leeven booven het aardsche verkiezen: gy ziet hem hier als in de armen van den dood zonder den dood te vreezen. Zulk eene gelaatenheid, zulk eene gerustheid, in het midden van het lyden is alleen den gelukzaligen gegeeven: ja iemant die wel geleeft heeft, en die zich geene misdaaden heeft te verwyten is een vriend van God, en kan dus verlangen om by hem te weezen; hy weet, dat hy van alle waerelds leed en droefheid ontslagen het vriendlyk aanschyn gaat genieten van dien oppersten Weldoener wiens lieveling hy is om dat hy zyne geboden heeft gehoorzaamt: de dood heeft niets verschrikkelyks voor hem; neen de dood zelve schynt op dat oogenblik zyn beste vriend om dat hy hem gaat inleiden in die eeuwigheid, die hem niet dan vreucht en eene volmaakte wellust belooft. Vergelyk nu by zulk een wenschelyk sterven, het sterven van dien elendigen Jongeling die om zyne versoejelyke euveldaaden door de hand zyn's Vaders is afgemaakt. Deeze, een vyand van God zynde, dorst niet sterven; hy was een misdaadiger, die trillen en sid-
deren moest om voor den Troon van zynen rechtvaardigen Rechter te verschynen. Hy zach het aaklig gordyn geöopent van wraak en gramschap; hy zach, als van verre, een altoosduurenden straf! (wie beeft niet?) en dat wel voor een klein genot van verboden vermaaken, die met een koortduurend leeven als een droom voorby gaan. - Als een droom? gewisselyk het langste leeven is niet meer dan een droom, een schaduw die haast verdwynt. Wat zyn hondert jaaren, die naauwlyks één uit duizend bereikt, te rekenen by een nimmer eindigende Eeuwigheid, en wie, die dit bedenkt, zal de hemelsche blydschap dier eindlooze eeuwigheid dan willen op offeren aan losbandige vermaaken, die als den wind heenen vlieden; neen dit kortstondig leeven is der pyne niet waard, myn Zoon, om door het najaagen van ongeoorlofde geneuchten een altoos duurend geluk in de waagschaal te stellen.
Wel-aan, myn Lieve! Laat ons dan onophoudelyk trachten, om wel te doen en deugtsaam te zyn, dan zullen wy eeven gelyk de Heer Grandisson dit onvolmaakte
leeven, 't welk ons maar voor weinigen tyd ter leen is gegeeven, met kloekmoedigheid weder durven aanbieden aan hem wien het alleen toebehoort. In 't kort myn dierbaare Zoon! laat ons wel leeren leeven om wel te kunnen sterven.
Verzuim niet my spoedig bericht te doen wegens den toestand van onzen geliefden Heer Grandisson, en omhels voor my uwen verwondering waardigen Vriend Karel, wiens deugtsaame zorg en tedere pligt-betrachting jegens zynen Vader my traanen van verrukking hebben doen schreijen.