terug  begin  verder

LXXII. Brief.
den 13 February.

Mynheer Grandisson is nu weder geheel gezond, Mama; wy hebben allen dees morgen met hem ter Kerk geweest om den Hemel te danken voor zyne herstelling. - Kareltje, zeer zwaare pyn in het hooft hebbende, raade hem zyn Vader zelve van 't huis te blyven; doch dat maakte hem zeer bedroeft; want hy slaat nooit gaarne de Godsdienst oeffening over, welke hy zyn duursten pligt noemt. ‘Ik moet u gehoorzaamen Papa, in al wat gy my beveelt (zeide

[p. 166]origineel

hy) maar ik bidde staa my toe om aan God in het openbaar myne dankbaarheid te toonen, nu Hy my weder vergunt met u te mogen uitgaan’. Waarop de Heer Grandisson hem tederlyk in de armen nam, en het hem toestond. Ik zag de traanen in de oogen van dien gelukkigen Vader om het bezit van zulk een deugtsaamen Zoon.

 

Toen wy weer t'huis gekomen waaren, hadden wy 't volgende gesprek, 't welk ik, eeven als al de anderen, nooit vergeeten zal.

Karel.

Welk een zegen van God, myn waarde Broeder en Zuster, dat wy onzen dierbaaren Vader weder ter Kerk hebben mogen geleiden.

Emilia.

Ja; ik zou my nooit getroost hebben, indien Papa gestorven waare.

Eduard.

Och, laat ons het gevaar, waar in hy geweest, is nooit weder herdenken!

Karel.

Waarom, lieve Eduard! 't is goed hier somtyds aan te gedenken; dit zal ons des te dankbaarer voor God maaken, en ons

[p. 167]origineel

altoos doen bezeffen, welk een schat braave ouders voor kinderen zyn.

Emilia.

En daar door zullen wy ook Papa en Mama des te meer waardeeren en liefhebben: Wy zullen des te gehoorzaamer en deugtsaamer worden, om te verdienen van hun lang te behouden. - Maar waarom is een zoo lofwaardig Man niet altyd gezond? Waarom zyn 'er toch ziekten in de waereld?

Willem.

Ja, daar hebbe ik ook al dikwerf over gedacht.

Karel.

Indien 'er geene ziekten waaren, zouden wy niet weeten hoe dierbaar de gezontheid is: ten anderen de beste en deugtsaamste mensch zou, als hy nooit ziekten of tegenheden had, het leeven op aarde zoo lief hebben, dat hy geduurig wenschen zoude om nooit te sterven, en daarom heeft God wysselyk de ziekten en ongeneuchten ingericht, om ons daar door te leeren, dat wy niet recht gelukkig kunnen weezen dan in den Hemel, alwaar geene droefheden noch kwaalen zyn zullen. Daarom is ook de ouderdom dikwerf met vee-

[p. 168]origineel

le gebreken verzelt, op dat men zyn hart zonder leetweezen van de waereldzou kunnen aftrekken.

Emilia.

't Is alles waar, Karel! maar my dunkt de dood is zoo verschrikkelyk.

Karel.

Dit komt ons zoo voor, om dat wy 'er ons geen recht denkbeeld van maaken; maar gy hebt gezien, met hoe veel gerustheid Papa dezelve dorst verwagten. - Ach, laat ons maar altyd weldoen, en dan zullen wy eeven als hy, door het vertrouwen op de gunst van den Schepper, aan wien het toebehoort onbevreest het sterfuur te gemoed zien.

Eduart.

Maar, Karel! zoude men dan niet mogen wenschen om lang te leeven?

Karel.

Een lang leeven wordt voor een zegen gehouden, en daar na te wenschen is een ieder ingeschaapen.

Emilia.

En waarom toch?

Karel.

Om dat wy anders onzen welstand ongevoelig zouden verzuimen: wy

[p. 169]origineel

zouden ons dagelyks aan gevaaren en zwaarigheden blootstellen, zonder eenige zorg voor ons zelven noch voor anderen te draagen, en dan zou de waereld wel haast geheel uitgestorven zyn. - Wy mogen dus dunkt my wel wenschen naar een lang leeven, mits dat wy het besteden in God te dienen, en onze Naasten tot nut te weezen, en dat wy daaglyks bedenken, dat wy het toch eenmaal moeten verlaaten, zonder te weeten hoe, en op wat tyd, dat niemant den dood kan ontvlugten, dewyl het den Koning zoo wel als den Onderdaan gezet is éénmaal te sterven.

Gewis, ik voor my, zal my dit geduurig herinneren ik zal teffens my onophoudelyk voorstellen, dat, dat leeven hoe lang 't ook zyn mooge eeven is als een bloem, die niet eer op haar schoonste is, of zy begint reets te verwelken om wel haast af te vallen.

 

Duizendmaal Vaarwel, myne goede Mama.

terug  begin  verder