[p. 31]
[Weer roept de herinnering aan jou]
Weer roept de herinnering aan jou
nu ik in het dal van het leven lig
naakt baadde ik jou
op phagwa achter het huis
abir vloeide van je borsten
als mijn eigen bloed
Welke vergissing was het
de jeugd is voorbijgegaan
de spijt met de jaren
dieper doorgedrongen
Weer roept de herinnering aan jou
luid de oren scheurend
als de dhaplá die mijn naam slaat
De leegte stroomt van alle kanten toe
en de ogen kijken naar het venster
dat kleppert in de wind