

In afwachting van de ideale tijden, waarin andere maatschappelijke inrichting groote armoede wellicht onmogelijk maakt, beijveren practische menschenvrienden zich, om reeds nu, door een goed toegepaste liefdadigheid, zooveel mogelijk de ellende te verzachten.
‘Geeft, geeft zooveel gij kunt,’ zeggen zij, ‘want er is veel noodig. Doch geeft niet zonder onderzoek, geeft met verstand, bevordert een goed georganiseerde liefdadigheid, eene die in staat is, na te gaan, of de verstrekte giften zoo nuttig mogelijk worden verdeeld.
Geeft vooral niet op straat aan bedelaars. De bedelaar is de dief van den arme, beweren zij. ‘De bedelaar, speculeerend op de goedgeefschheid der groote menigte, haalt een dagloon op, waarnaar menig werkman en zelfs menig kantoorbediende snakt. Na eenige uren bedelens des daags trekt de beroepsbedelaar zich terug in zijn woning, in de herberg, in de slaapstede en vergast zich daar met zijn familie op lekkerbeetjes en sterken drank.
De beroeps-bedelaar, aldus veler meening, is een luiaard, een dagdief, een eerlooze, een schelm, iemand, die werk kan vinden, om op eerlijke wijze zijn brood te verdienen, maar aan 't gemakkelijke, luie en voordeelige bedelen de voorkeur geeft. De kwalen, waarmede hij bij 't publiek medelijden opwekt, zijn gewoonlijk geheel of ten deele voorgewend. De vrouwen, die met kinderen van zeer jongen leeftijd op straathoeken staan en zoo, door de tentoonstelling van de jammerlijkheid van haar gezin, medelijden trachten op te wekken, zijn gewoonlijk de moeders dezer kinderen niet, doch zij huren de kleinen, wier geestelijke, moreele en lichamelijke gezondheid wordt opgeofferd ter wille van 't gewin van beroeps-bedelaars.’
* * *
Het sociale geweten is wakker geworden. Ik wil niet nagaan of het ontwaakt is door het rumoer van de ellende-lijders zelve. Als in latere tijden veel kwaads zal gezegd worden over het egoïsme van
den gezeten burgerstand, die zoolang tevreden bleef met een maatschappelijke inrichting, waarbij drie vierde deel der bevolking meer of minder armoede leed, zal ter weerzijde toch altijd moeten geboekt worden, dat uit het midden dezer burgerij de mannen en vrouwen zijn opgestaan, die ten koste van veel arbeid en dikwerf veel miskenning verbetering hebben trachten aan te brengen. De vierde stand dankt zijn meest uitstekende leiders aan de bourgeoisie en hoe langer hoe minder behooren sociaal-voelende lieden van deftige afkomst tot de uitzonderingen.
* * *
Langzaam maar onweerhoudbaar schrijdt de sociale wetgeving voort. De vrees, dat zij door 't geweld der lijdende klasse zou worden ingehaald, is vrijwel verdwenen. De bourgeoisie met haar politie en haar leger, haar pers, haar parlement en haar kerk bleek uitstekend georganiseerd. Zij verdroeg de eerste stooten van 't geweld van onderen zonder veel schade, wist zich van een aanvankelijke zenuwachtigheid te herstellen. Zij toonde zich bereid, langzaam en bezadigd, na veel studie en degelijk onderzoek, het goede te willen aanvaarden uit den schat van hervormingen, door de denkers voor de lijdende massa aangeboden. De revolutie bleef uit; de evolutie werd aanvaard. En geen socialist ter wereld, die niet erkent, dat er vooruitgang is te bespeuren in de wetgeving der beschaafde landen, vooruitgang die aan zal blijven houden en de nieuwe eeuw tot eene vol rijke beloften op 't gebied der sociale wetgeving maakt.
* * *
Doch het gaat langzaam. En onderwijl blijven honderdduizenden gebrek lijden. Men tracht ze te helpen door giften. Het kortelings verschenen werk ‘Armenzorg in Nederland’ toont wel-is-waar aan, dat er aan de organisatie en de centralisatie der armenzorg veel ontbreekt, maar ook, dat er een sterk besef leeft van verantwoordelijkheid voor den arme.
Doch cijfers en statistieken, berekeningen en opgaven hebben waarde voor den man van studie; het groote publiek, wil het steeds dieper doordrongen worden van de noodzakelijkheid van betere sociale wetgeving, wil zijn onweerstaanbare kracht gewonnen worden in 't belang van onmiddellijke hulp voor degenen, die geen tijd hebben om af te wachten, vraagt aanschouwelijker beeld, meer onmiddellijk werkenden prikkel.
Dichters en romanschrijvers beproeven hun krachten en hun talent, om het gevoel van sociale verantwoordelijkheid aan te wakkeren. Zij hebben eenig succès, zoo ook hun Muze niet steeds zoo willig is als hun hart. En ten slotte blijft hun schildering van sociale toestanden altijd een verhaal, een fantasie, een combinatie. Niet de schilderij, de photographie der ellende is noodig. Kleedt het leven niet aan met het gewaad uwer eigen ziel; elke versiering der ellende is een bespotting. Geeft de waarheid, niets dan de waarheid. en terwijl gij het verwijt ontgaat, uw Muze te verlagen of anderer ellende tot
een middel voor eigen roem of eigen kunstenaars-vaardigheid te maken, dient gij de zaak der armen zoo oprecht mogelijk.
Men eischt feiten ; men eischt duidelijkheid. Geeft dan geen ontboezeming, geen schets, geen schilderij, maar photographeert.
* * *
Het waren deze overdenkingen, die mij er toe deden besluiten, een voorstel aan te nemen van het dagblad De Telegraaf om een tijdje als armste onder de armen mede te leven. En hieronder volgen in een dagboek de ervaringen, die ik in dien tijd opdeed en de gedachten en gevoelens, die zij bij mij wekten. Aan 't slot zal ik bescheidenlijk de middelen ter voorloopige verbetering geven, zooals ik meen, dat de ondervinding ze mij aan de hand deed. Het zijn voorloopige, het zijn lap-middelen. Maar voor menige wonde geeft ook een lap reeds eenige verzachting.