terug  begin  verderprepost
[p. 7]

II.



illustratie

't Was nog altijd donker, toen ik weer ontwaakte. De olie uit de lamp onder de koekoek was opgebrand en ik zag 't kleine vlammetje knetterend kransen om den roodgloeienden ring van de kous.

Een der jonge mannen, die 's avonds laat gekomen waren, zat op in 't bed.

‘Zouden ze beneden al uit d'r nest zijn?’ vroeg hij aan den ander, die nog op bed onder de dekens was blijven liggen.

‘Ga kèken met je luie pens.’

De ander stond met een vloek op, schoot zijn broek aan, zittende op den rand van 't ledikant, ging op zijn teenen de trap af, kwam na een oogenblik weer boven.

‘Ze maffen nog allemaal. 'k Mòt wachten. Als 'k nou den trein nog maar haal. Heb je daar water?’

‘Nee, leg niet te kletsen,’ gemelijkte de ander.

‘'k Stik van den dorst. Wat is er in die flesch?’

‘Klare.’

‘'k Lust geen klare op mijn nuchtere maag. Dat brandt je vet weg van je consistentie...’

Hij bleef op den rand van 't bed zitten.

‘'k Kan 't niet langer uithouden. 'k Stik van de droogte in mijn strot. Geef dan maar op je flesch.’

‘Haal 'm maar zelf.’

Hij boog zich. 'k Hoorde het klokken van vocht in een flesch.

‘Zuip 'm niet lens. Ben je heelemaal bed...d?’

‘Hè, 't brandt op mijn darm. 't Is de pest als je nuchteren bent. Zeg, 'k had 'm toch gauw in de smiezen, die stille. Als ik niet gefloten had, was 'r niks van terecht gekomme...’

‘Hou je sm...l. D'r is te veel dak op 't huis.’

‘Voor wie zou 'k mijn sm...l houwe... Zeg, geef mij de flesch nog is...’

‘Dan mirakel je straks nog al de trappen af. Als je niet je sm...l houdt en gaat liggen, sla 'k 'm op je harsens tot gruizels.’

‘Jij doet wat...’

‘Hou je nou je sm...l of hou je 'm niet...?’

Ze waren beiden stil. Na een half uur stonden ze op; ze waren schier gekleed te bed gaan liggen, doken weg in het trapgat.

[p. 8]

Beneden hoorde ik rumoer van schoffelende voeten en stemmen.

De vrouwestem in het bed begon weer met klaaggeluidjes te spreken.

‘Zijn ze weg? Ja, ze zijn weg. Zulke schooiers. Jenever op de nuchtere maag. Ze moeten weg. Zeker hebben ze weer wat gedaan. Ja, de wereld is wel slecht.’

‘Hoe laat is het Willem?’ klonk het achter mij.

‘'k Denk half zes. Mot je op?’

‘Nou wat anders. Hoe kan je dat nou vragen?’

Ik keek om. Aan den kant van 't hoofdeinde van mijn bed was een klein deurtje, dat toegang gaf tot een ander gedeelte van 't zoldertje. Daar spraken de twee, een man en een vrouw.

‘Je boteram ligt op den schoorsteen, Willem.’

‘Dank je. Nou, dag Truus.’

‘Gedag.’

De man liep dicht langs mijn bed, daalde af in 't trapgat.

Vóór op den slaapzolder hoorde ik twee kinderstemmen.

‘Waar mot ik vandaag naar toe?’

‘Naar Scheveningen.’

‘En hoeveel krijg ik mee?’

‘Nou, als gewoon.’

‘Twintig voor vijf?’

‘Ja, en ik lekker maar zestien, omdat ik vanmiddag mag helpen op 't plaassie.’

‘Ik kan d'r geen twintig verkoopen. 't Wordt al zoo koud; de menschen zeggen dat ze geen last meer van de vliegen hebben...’

‘Nou en ik zeker wel. De meiden maken je niet eens open. Gisteren kwam ik bij een wijf, dat riep mij binnen en dat zee:

“Meissie, wil je een happie eten?” “Ja juffrouw,” zeg ik tegen d'r. En toen kwam ik in een keuken met een voetplank en wel honderd koperen bussies op een plank boven den schoorsteen, en toen komt dat wijf met een schaal met kouwe aardappels en zoo zwart als ik weet zelf niet. Stik wijf, dacht ik, als je denkt dat ik thuis niet te eten heb. En toen zee ze: “Nou meissie, eet nou maar is goed,” zee ze en toen zee ik, mag ik het voor me broertje meenemen, die het zoo'n honger en me vader is zonder werk, zee ik en me moeder is ziek, dat zee ik maar om van dat wijf d'r kouwe aardappels af te komme...’

‘Nou en ik ben gister bij een wijf geweest en die gaf me een stuk vleesch zoo groot as, as, as twee groote vuisten.’

‘Wat kè jij liegen, want gisteren ben jij niet eens uit geweest...’

‘Zoo, nou hoor, 't is toch waar...’

De kinderen waren opgestaan en kleedden zich aan. Het was een jongetje van tien jaar en een meisje van dertien, die vóór op 't zoldertje in één bed sliepen.

Ik zag nu ook de andere gasten opstaan, meest mannen op leeftijd. Zij kwamen als donkere schimmen in 't smeulende lichtje van de lamp boven het trapgat en schenen dan weg te zinken, terwijl de traptreden knersten onder den druk van hun doffe langzame stappen.

[p. 9]

In het bed van de klagende vrouwestem kwam nu ook beweging.

‘Ach, alweer een dag van beroerdigheid. Daar gaat de schooister weer. Dat is nou leven. Waarvoor leeft een mensch! Is de nieuwe man al op. Nee, hij leit nog in z'n bed. Mot-ie niet geroepen worden? Dat mot-ie zelf maar weten.’

Ik zag nu dat een mager, smalruggig vrouwtje, met een dor, rimpelig nekje en grijs haar in een knotje opgebonden met een zwart bandje, voor haar bed stond en 't opschudde. Zij kreunde bij elke beweging. Toen ze klaar was en naar 't trapgat schreed, zag ik even haar gezicht, rimpelig als een oude appel.

'k Dacht nu, dat ik alleen was en wilde opstaan. Maar ver vóór op 't zoldertje hoorde ik plotseling vloeken en tegen de barsche stem van een man gilde het angstig krijten van een vrouw.

‘'t Is jouw kind niet. Blijf van 'm af. En als jij niet van 'm afblijft, dan zal ik je...’

De mannestem grofde vloeken. Ik hoorde dof stompen, dan opeens een kreet van een vrouw. Toen kwam een man naar voren. Hij was half gekleed en dicht bij 't trapgat keerde hij zich plots met zijn hoofd naar de voorzijde van den zolder.

‘Doeràk, kom niet beneden of ik zal je de beenen breken!’

Toen met een vloek binnensmonds zonk hij in het trapgat.

'k Stond nu op, kleedde mij haastig aan, ging de trap af. Op de eerste verdieping was een nauw portaaltje, waarop rechts en links twee deuren uitkwamen, die half open stonden. Er waren twee kamers met bedden juist als op den zolder, dicht bij elkaar. In den valen schemer van den aanbrekenden morgen kon ik zien, dat de bedden zooeven verlaten moesten zijn.

Plotseling herinnerde ik mij, dat ik niet aan mijn kruk gedacht had. Ik ging snel naar boven, keek schuw rond. Niemand had mij gezien. Mijn kruk stond in den hoek bij 't bed, waar 'k haar 's avonds had neergezet. Ik nam haar op en ging nu weder naar beneden.

In de gelagkamer was het vol menschen. In 't midden stond een groot kachelfornuis te branden en daarop een groote koperen waterketel, in den vorm van een doofpot met een kraan van onderen.

De kamer had grauwe muren en een paar lithographieën met Zwitsersche landschappen in oude vergulde lijsten hingen slordig schuin er tegen. Het grauwe morgenlicht kwijnde binnen door een hoog smal raam zonder gordijn en daarachter was een klein binnenplaatsje, waar twee mannen stonden, die zich boven een emmer water 't gezicht waschten.

Vóór 't raam stonden binnen drie tafeltjes. Eén klein bijna geheel in den hoek, met een naaimachine er op. In 't midden voor 't raam een tweede tafeltje. Daarop lag een half brood, stonden twee witte koffiekommetjes en een blauw geëmailleerd koffiepotje.

Tegenover elkaar aan de tafel zaten een man en een vrouw. De man zat krom en vergroeid in elkaar. De magere hals ging stijf naar voren en het gelaat stond tegen het achterhoofd aangedrukt als ware het een masker. Dat gezicht was aschgrauw en de tranerige, groene oogen stonden lusteloos en norsch.

[p. 10]

De vrouw tegenover hem had al grijzend haar, een mager, hoekig gezicht met de jukbeenderen opstekend in het gore, rimpelige vel. Haar ingevallen mond was als in een voortdurenden verbeten lach en in de donkere oogen, donkerder door 't grijze haar, dat van 't lage voorhoofd maar een driehoek bloot liet, gloeide een bruingouden lichttinkel.

Zij schonk uit het keteltje de twee kopjes vol.

‘Veel melk man?’ vroeg ze.

‘Nou, dan kan d'r geen koffie in.’

Hij nam het gevulde kopje op, nam slurpend een slok.

‘Is d'r geen suiker?’

‘Nee, 'k heb de suiker op de boteram van Hein gedaan.’

‘Altijd Hein. De kinderen zijn tegenwoordig zoo astrant, dat ze d'r eigen ouwers zouwen opvreten as 't most.’

‘Nou, je hebt gisterenavond ook al suiker gehad.’

‘En wat zou dat? Wie mot het betalen? Ik mot het betalen. Of mot ik het niet betalen?’

‘Maak nou toch geen ruzie zoo vroeg in de morgen.’

‘Maak ìk ruzie? Jij maakt ruzie. Geef mijn suiker niet weg. Blijf van mijn suiker af. Nou mot ik koffie zonder suiker zuipen. En meneer mijn zoon vreet zijn vader's suiker op.’

Hij begon, zijn sluiken kop dicht naar het kommetje buigend, dat hij in zijn omgekromde skelethanden hield, met lange slurpen de koffie in te zuigen.

Aan 't derde tafeltje, dat vlak stond bij de deur, die naar 't keukentje leidde, dat toegang tot het plaatsje gaf, zat een breede, zware vrouw. Zij had een knokig gezicht met een onderkaak, krachtig gewrongen onder 't oor als een houtknoest. Zij tuurde met het hoofd voorover dicht op de dansende breinaalden van een paars sajetten kous-opzet en was naarstig aan 't breien.

Over haar zat, de beentjes ver hangend van den grond, dicht bij elkaar, een dikke flinke jongen, met witblond haar, een rond, bol gezicht met roode wangen. Hij droeg een heldere matrozenblouse van blauw- en wit gestreept katoen, een blauw tricot broekje en zwarte kousjes.

‘Krijg ik nou mijn schoenen?’ vroeg het kind.

‘Hou toch je moel met je vervelend gezeur,’ zei de vrouw, altijd doorgaande met breien.

‘'k Zit al de heele morgen hier. Mot ik nou de heele dag hier zitten?...’

Wankelend op zijn spillebeenen in een wijdpijpige broek, die er los om heen plooide, kwam, de handen in de zakken op den buik en het magere bovenlijf naar achter, zoodat de borstgleuf van 't katoenen hemd openspleet, een magere man naar 't tafeltje. Zijn gezicht was verweerd, had de buitenlucht-tint van een man, die veel in weer en wind was geweest.

‘'k Zou goeie morgen zeggen,’ zei hij tot de breiende vrouw met een vloek.

‘'k Zei goeie morgen.’

[p. 11]

‘Dat lieg je. Dat zei je niet. Anders zou ik het wel gehoord hebben. En mot dat kind daar nou de heele ochtend zoo zitten?’

‘Nou, poets dan zijn schoenen.’

De man bukte zich, beurde een schoen op, die onder de tafel stond.

‘Kijk die schoen nou eens (vloek) vol (vloek) modder zitten (vloek). Heb jij die (vloek) jongen gisteren nou toch (vloek) uit laten gaan (vloek).’

‘Dan mot jij maar op 'm letten. Ik heb niks meer over 'm te zeggen. Hij regeert compleet een mensch. 'k Kan 'm toch niet de heele dag thuis houwen.’

‘Ken je dat niet (vloek)? Dan ken je zelf zijn schoenen ook wel poetsen (vloek). Mot ik de schoenen poetsen, als jij ze smerig laat maken?’

‘Nou, 't is toch jouw kind.’

‘Ja, dàt hoef je me niet te zeggen...... Om jouw kinderen maal je niet. Jij hebt 'm zijn schoenen smerig laten loopen. Nou ken je ze ook zelf poetsen.’

Het kind zat tijdens het gekibbel stil op zijn stoel en speelde met een leeg lucifersdoosje. De man gooide het kinderschoentje weg en nam een mansschoen op, dien hij met een borsteltje begon in te smeren.

‘'t Is weer dreinerig in de lucht,’ zei hij, opkijkend. ‘'t Is vervloekt dreinerig. Als het regent, krijgen ze me vandaag niet an 't draaien. 't Regent al. Ik draai niet.’

‘Je hebt er, die draaien of 't regent of niet,’ mummelde een oude man, die voor de kachel een zakdoek droogde, dien hij in 't keukentje had uitgewasschen.

‘Wat wordt er dan van je goed? Dan wordt er derrie van. En je heb meer kosten, dan je ophaalt. Ze zijn toch al zoo scheutig. Alles gaat an de kerk. Daar hebben we ook orgels, denken ze. (vloek) Heb je ze gisteren weer naar de kerk zien tippelen? 't Was zeker weer zoo'n stuk feestdag. 'k Zou ze allemaal wel de nek willen breken met d'r orgels in de kerk. Ze worden er zóó verlekkerd, dat ze naar je mooiste orgel op straat niet meer hooren.’

‘Je mot piano-orgels hebben tegenwoordig,’ zei snugger en vlug een man, die met zijn hoekigen kop, baardeloos gelaat, met lijnen als in hout gekerfd, tegen den binnenkant van de trap zat.

‘Man, waar wou jij nou je kop in steken,’ zei de orgeldraaier, den schoenborstel hoog voor zich uit houdend, zich half omdraaiend naar den man met de houten stroeve gezichtslijnen. ‘Ben jij muzikant?’

‘Nee, dat ben ik niet.’

‘Nou, spreek dan niet mee, als je d'r geen verstand van hebt. Ik zeg je, dat 'r aan de orgels geen droog brood meer te verdienen is. Daar heb je nou Dries de Haan. Die hèt een orgel in Amsterdam rondgekrooien, een pracht als je 't zag. Trompetters d'r van buiten op en poppen met verguldsel en een trommel en een triangel en nog een heele rommel meer. En d'r zat een stukkie muziek in, fijn hoor. Maar dacht jij nou, dat ie 'r wat van had. Geen bliksem...’

[p. 12]

Hij gooide den borstel met een vloek op de tafel en met den ingesmeerden schoen in de hand stond hij nu te betoogen.

‘Als-ie zijn huur had betaald aan Louwer en zijn kosthuis voor hem en zijn vrouw...

‘Is dat niet die schele?’ vroeg de vrouw aan 't raam.

‘Ja, dat is dàt loeder. Die hèt d'r man laten zitten met vier kinderen en is er toen met 'n ander van doorgegaan.’

‘Nou, maar dat wijf van hem was d'r dan ook een. Mevrouw most pantoffels van zeven-en-twintig stuivers dragen en een hoed van vier gulden. En als ze geen vleesch had, dan most d'r mannetje wat hooren. Want Dries mag d'r al is te veel an de flesch likken, een ordentelijke vrouw kan 'm om d'r vinger winden. En als-ie uitgaat brengt-ie centen thuis...’ zei de dikke waardin, die uit 't keukentje was aangewaggeld en nu uit den ketel op 't fornuis warm water liet geulen in een blauw koffieketeltje.

‘Hier man, daar is je koffie,’ zei ze, 't keteltje op een tafeltje zettend, dicht bij de kachel.

‘Hoeveel kost dat?’ vroeg ik, alsof ik vreesde voor een te groote uitgave.

‘Dat kost niks. Dat hoort bij 't slapen. En daar heb je nog een kommetje 'r bij.’

Ze veegde met haar boezelaar een wit kommetje schoon en zette het voor mij.

Een zwaargebouwde man, in een boezeroen met een versleten pilow-broek aan, kwam uit 't keukentje. Hij had zich pas op 't plaatsje gewasschen en zijn haar was nog nat. Hij bracht een geur van cocoszeep mede.

‘Dirk, leen mij even je schoensmeer,’ zei hij vleiend tot den orgeldraaier.

‘Leenen, alweer? Jij leeft (vloek) op de pof (vloek). Denk jij, dat 't me op mijn rug groeit? Dat is van de week al driemaal, dat je me om schoensmeer vraagt.’

‘Nou, 'k mot op een baantje uit.’

‘Wat kan mijn dat verd...n!’

‘Dan zal ik jouw schoenen uitwrijven.’

‘Vooruit dan maar. Nee, eerst uitwrijven, hier aan mijn pooten.’

De orgeldraaier. trok zijn schoenen aan, zette zijn voet op een stoelzitting. De ander nam den borstel en ging gedwee aan 't poetsen. Maar de waardin logde uit de keuken:

‘Wil jij je pooten wel eens van mijn stoel afzetten. Betaal jij ze, als ze gemat motte worden? En net op die stoel, die ik de vorige week heb laten matten...’

De orgeldraaier trok zijn voet al terug. Maar zij met een ruk sleepte den stoel aan de leuning een eind weg.

‘As jij de fijne meneer wilt spelen, ga dan maar op de plaats. 't Is een schandaal, om mijn meubels te reneweeren. Je bent zeker niks gewoon. Dat heb ik al lang aan je manieren gemerkt.’

‘Wie het 't hier al niet over manieren. Waar heb jij van manieren gehoord? Bij je rooie vaâr, die zes jaar achter de schuif...’

[p. 13]

Zij rukte den stoel weer plots vlak voor den orgeldraaier.

‘En zet jij nou eens je poot op m ij n stoel...’

‘Gut mensch, krijg maar geen rolberoerte. 'k Heb ze er toch al van afgenomen.’

‘Is 't nou uit, of is 't niet uit! Je hebt zeker je kop weer!’ lawaaide opeens uit een kamertje vóór aan de straat, met een deur toegang gevende tot de gelagkamer, de bevel-stem van den baas.

Het was opeens stil. De orgeldraaier zette zijn voet op den grond en de groote man, die op een baantje uitmoest, knielde op zijn rechterknie voor den voet van den orgeldraaier en begon diens ingesmeerden schoen opnieuw uit te poetsen.

Ik had de koffie uit 't keteltje .in de kan geschonken, zette even de kan aan mijn mond, proefde de zilte cichorei, nam mijn kruk op, strompelde de gelagkamer door, stond buiten in 't straatje, heerlijk opademend in de frissche lucht na de beklemming van het bedompte, ruzie-achtige binnenhuis.

prepostterug  begin  verder