
Het was een heerlijke herfstdag met een even bedekte lucht. De wind was zoel, het straatje was wazig aan 't eind, waar een groot plein was.
Daarheen strompelde ik. Telkens hoorde ik de bons van den krukstok op de straatsteenen. De menschen in 't straatje keken mij maar even aan; zij waren 't gewend typen van mijn soort te zien.
Ik had besloten dezen dag met passief bedelen door te brengen. Ik wilde onderzoeken hoeveel een gebrekkig, uiterst schamel gekleed verwaarloosd man op één dag ontvangt, indien hij niets doet dan zijn ellende ten toon spreiden. Wie zou mij de eerste gift geven?
De scholen gingen aan. Een viertal jongens van een armenschool zagen mij.
‘Hoejoe, hoejoe, hoejoe!’ jouwden zij lachend. Eén beet een stuk van een appel, gooide 't mij naar 't hoofd. 't Raakte mij met een klisse pats vlak achter 't oor.
‘Laat 'm gaan,’ zei een oudere jongen. ‘'t Is een ongelukkige man.’
‘Hoejoe, hoejoe!’ jouwde de appeleter en wilde opnieuw mij iets nawerpen.
Ik maakte een schuw gebaar, half dreigend, half meêlijwekkend.
De oudere jongen trok nu mijn partij.
‘Als je 'm nog eens gooit, zal ik jou eens gooien. Mot je zoo'n stumper gooien? Wie weet, waar je zelf nog eens toe komt...’
Ik strompelde door. Een klein, blond jongetje, ik denk een zeven jaar oud, zindelijkjes armoedig gekleed, keek mij meêwarig aan. Toen ging hij met zijn hand in zijn zak, kwam naar mij toe...
‘Daar arme man,’ zeide hij.
En het kind gaf mij één cent, ik vermoed den snoepcent, dien hij van moeder medegekregen had, om zoet naar school te gaan.
Ik nam den cent aan, stopte hem in 't kleine zakje van mijn jas.
‘Dankie jongeheer, dankie!’ mompelde ik, tegelijk aanslaande met mijn vinger tegen mijn hoedrand.
‘Wat zeit-ie?’ vroegen twee kleine jongetjes, die op een afstand wat angstig waren blijven staan.
‘Hij zeit jongeheer tegen me,’ zei 't goedhartige knaapje, gelukkig en trotsch.
--------------------
Lief, goed klein jongetje, dat mij uw snoepcent gaf, teerhartig zacht knaapje, er moet heel veel stevige theorie en veel bittere ondervinding zijn om mij te overtuigen, dat uw eenvoudig weggeven verkeerd was.
Want zoo ook de bedelaar uw cent niet verdient, noch er een goed gebruik van maakt, gij maaktet een goed gebruik van uw kleinen schat. Lief knaapje, ik druk u aan mijn hart en kus u in gedachten...
--------------------
Ik strompelde voort, de drukkere straten in. De menschen keken mij meêwarig aan. Op een brug stonden wat sjouwerlui. Een van hen, een opgeschoten jongen, lachte en riep mij een scheldwoord toe. Maar de anderen wezen hem terecht.
‘Geef (vloek) die (vloek) kerel liever wat. Waar ben je zelf aan toe?’ grofstemde een der sjouwerlui. En meteen een paarsch zakje openschuivend, haalde hij er een boterham uit en reikte mij die toe.
‘Daar, vr...t, als je honger hebt!’
‘Dank u wel, dank u wel, mijnheer,’ zei ik, weder onbeholpen aanslaand.
‘'k Ben geen mijnheer, 'k ben ook maar een arme verd...ling!’
En hij schoof 't zakje met een ruk dicht. Ik strompelde verder, de boterham in mijn zak stekend. Om hem genoegen te doen deed ik een grooten hap in de boterham. 't Was een dikke snee wittebrood met boter en Leidsche kaas. De boter smaakte als gestold kaarsvet, margarine van de minste qualiteit.
'k Hinkte voort, mijn linkervoet telkens naschurend over de keien.
De heeren, die naar hun kantoren gingen, de winkeljuffrouwen, de huisnaaisters keken mij allen met medelijden aan, maar geen gaf iets. Ik sleepte mij voort. Doch na een half uur was ik doodmoe. De kruk deed mij onder den arm schrijnende pijn. Mijn voeten in de lompe, harde soldatenschoenen begonnen ook zeer te doen. Ik moest rusten. 'k Ging daarom rechtsaf naar het Haagsche bosch en zette mij daar tegenover het hertenkamp op een bank.
Zoo was 't uit te houden; de zoele herfstdag, het wuivende streelwindje, het landschap in herfsttinten en de zilverige lucht, waar de zon nu even kwam doorsluimeren...
De kruk naast mij, bleef ik een half uur rusten. Enkele wandelaars kwamen voorbij. Oude gepensionneerden, die hun morgenwandeling maakten, jonge dames met een romannetje in de hand of een taschje of een lawn-tennis-bat.
Telkens sloeg ik aan. Allen gaven mijn groet terug, sommigen zelfs heel vriendelijk. Er waren jonge dames, die dadelijk het hoofd afkeerden. Het deed haar zichtbaar pijn mij zoo ellendig te zien.
Doch geen enkele, wier medelijden zich in een onmiddellijke daad omzette. Ik ontving niets.
Een artillerie-officier wandelde voorbij. Ik stond op, maakte een militair saluut.
Hij beantwoordde het even en ging door.
Een jonge vrouw, met zeer zwierige kleeding, zag mij aan. Ik sloeg aan. Zij liep door, bleef ietwat verder met den rug naar mij toe staan, opende haar taschje.
‘Hier,’ zei ze, het gehandschoende handje achter zich houdend en 't gelaat naar mij keerend.
Ik greep mijn kruk, strompelde op haar toe, doch liet den cent, dien zij mij gaf, vallen.
‘Stommerd,’ zei ze, voortgaande.
Ik beurde den cent op, ging weer naar de bank, volgde haar slank figuurtje. Verder, bij de kromming van den weg, wachtte de officier haar op...
En weer zat ik geruimen tijd, zonder iets anders te ontvangen dan medelijdende blikken.
Toen stond ik op en strompelde het bosch verder in. Aan den weg stond een bedelaar met een houten been, een ècht gebrek. Hij had een vaalbleek gelaat, een zwarten baard, norsche oogen. Zijn kleeding was schamel, maar goed onderhouden.
Hij zag mij aanstrompelen; toen wij dicht bij elkaar waren, ontmoetten onze oogen elkaar. Zijn oogen waren norsch, maar niet meedoogenloos.
Ik sloeg aan met den wijsvinger.
Hij gaf zwijgend een korten knik en liep een paar passen in de richting tegenovergesteld aan de mijne.
Voort sleepte ik mij. Bij een kruislaan zat een oude man op een bank met een anderen man. De oude man had een langen grijzen baard.
‘Dat is weer een concurrent,’ zei hij tot den anderen man. ‘'t Is hard hoor, als je zoo je eindje moet halen.’
'k Liep door tot aan een vijver. De vijver was stil en onbewogen. Wat dorre bruine bladeren dreven niet weg, zoo windstil was het. En aan de overzijde dreven een achttal blanke zwanen, de slanke nekken een enkele maal opgolvend. En verder aan de overzijde, bij een dikken boom, zat een jonge schilder voor een doek, dat op een ezeltje was geplaatst en achter hem stonden twee andere jongelieden en keken naar zijn werk.
Artisten, daarheen!
'k Strompelde 't bruggetje op, sleepte er af, hinkte met korte doffe stampen van de kruk op den zachten grond naar de drie jongelui.
'k Was van plan niets te zeggen. Zoodra een der jongelieden mij zag, begon hij te lachen.
‘Daar zal je 'm hebben! Ha, ha, ha. Is dat mijn hoedje niet, baron......’
De tweede jongeling lachte nu ook. Ik kromp ineen, maakte mij klein, staarde wezenloos uit de oogen, terwijl de twee mij bespotten.
Doch de derde, het jongemensch, dat schilderde een stillen vijver met zwanen, omkranst door dicht geboomte in goudbruine herfsttinten, verwazend in 't verschiet, zeide driftig-verwijtend tot de twee spotters:
‘Waarom doe je dat nou (vloek)? Die arme donder heeft misschien niet gegeten. Is dat al jullie geest?’
De twee anderen zwegen beschaamd. De een wilde niet beschaamd zijn, lachte weer bespottend.
‘Schei toch uit! Wat heb je er aan!’ zei de jonge schilder nogmaals geërgerd.
Ik keek hem met stom-wezenloozen blik aan, strompelde voort, ging iets verder op een bank zitten. 'k Was weder moede door 't ongewone loopen. Uit mijn zak haalde ik het postpapier en de enveloppen, die ik in een krant had gepakt. De schilder keek niet meer naar mij; de twee anderen werden afgeleid door een anderen bedelaar, bekend Haagsch type, strompelend op twee stokken en telkens schuddend met het oude mannetjes-hoofd. Zij riepen 't mannetje wat na, die doorliep.
't Kwam in mij op om even terug te gaan en den twee spotters plotseling een uitbrander te geven. Doch dat zou mijn heele plan in duigen werpen en daarvoor had ik reeds te veel opgeofferd. Buitendien, het waren wellicht twee brooddronken jongelui, blij met een onderwerp voor een pretje. 'k Besloot een appèl te doen op hun goed hart.
'k Nam mijn kruk en mijn postpapier, strompelde weer naar hen terug.
‘Mijn... mijn... h... h... heer, w, w, wilt u ook p, p, p, post p, pap papier ku, ku, ku, koopen... Vijf f, f, f, fel voor een st, st...uiver met v, vijf è è è vlops...’
Ik zeide dit op klagenden, onderworpen toon, opzettelijk een stotteraar imiteerend.
‘'k Heb geen papier noodig,’ zei de schilder, die mij beschermd had. ‘Maar hij... (hij wees op den ergste der spotters) hij is verloofd met een lieve meid en hij heeft te schrijven......’ schertste de schilder.
De spotter keek verlegen.
‘Neen hoor. Ik h, h, heb mijn p, p, p, porte-m monnaie niet be, be be bij mij,’ antwoordde de spotter, mijn stotteren imiteerend. Maar 't weigeren, ik las 't op zijn gelaat, viel hem moeilijk.
‘Heb jij dan misschien een paar losse centen,’ zei de schilder tot den anderen vriend.
Deze ging machinaal met zijn wijsvinger en duim in zijn jaszakje.
‘Neen, 'k heb geen cent bij mij.’
‘'t Is f, foor een m, m, middag m m maal,’ stotterde ik.
‘Ja, dat snap ik wel, zei de schilder goedhartig. Hij voelde in 't spoorzakje van zijn armelijk jasje, haalde er een dubbeltje en wat centen uit, gaf mij 't dubbeltje.’
‘Dank u!’ zeide ik aanslaand. ‘Nu k, krijgt u twin, twin...’
‘Neen, 'k wil niks van je hebben. Ga maar gauw wat eten...’
En terwijl ik weer aanslaande wegging, zei hij wat tot zijn twee vrienden en keek mij meewarig na.
--------------------
Mijn goede vriend in de kunst, 'k heb mij uw gelaat in gedachten geprent en hoop u later nog eens te ontmoeten...
Maar mocht het niet zijn en leest gij wellicht deze regels en herinnert gij u onze ontmoeting, welnu, laat ik u dan zeggen, dat gij in uw kunst zult slagen.
Want gij bezit de groote voorwaarde voor elk kunstenaar - gevoel. En het mondain cynisme heeft u nog niet bedorven.
--------------------
't Bruggetje weer over, de zijlaan in. 'k Zie een kinderjuffrouw met een kindje van vijf jaar wandelen. Zij is heel eenvoudig, maar met smaak gekleed. 't Kindje deftig, warm in een rood wollen manteltje en met wit wollen slobkousjes aan.
Ik zie haar blauwe oogen vol eindeloos medelijden. Die twee oogen waren een gedicht. Ik zal dien blik mijn leven lang niet vergeten. Zoovéél medelijden kan alleen uit de oogen van een vrouw neerzegenen. Een man, die medelijden gevoelt, is er meteen bitter bij. Het medelijden van de vrouw is zacht. Mannen-medelijden brandt; vrouwen-medelijden straalt.
Zij keerde zich geheel van mij af om mij niet te zien. Opende een kleine portemonnaié, gaf het kind wat in 't handje. 't Kindje kwam lachend op mij toe, met verheugde oogjes en gaf mij drie centen.
‘Dank je, kindje,’ zei ik, 't kind onnoozeltjes toelachend. De juffrouw keek mij nog even medelijdend aan. Deze blik was zachter dan een kus. En om haar toch iets terug te geven, nam ik mijn hoed ver af en boog het hoofd diep en met eenige gratie voorover. Daarna strompelde ik weer voort.
Een uur lang ontving ik niets. 'k Liep nu terzij van het rijpad en sloeg aan voor elken fietser en elke fietster. Eenigen groetten mij met een knik terug. Doch geen vond tijd mij iets toe te werpen uit 't zakje, waar de tol-centen in bewaard worden.
'k Ging een zijlaan in. Een heer al op jaren stond in een zakboekje boomen te noteeren, waarschijnlijk met 't oog op 't snoeien. Hij zag mij aan.
‘Wacht een oogenblik. Hier...’
Ik kreeg drie centen. 'k Zag dat het den gever pijn deed mij, armen stumper, te zien. Hij gaf mij zijn aalmoes als een kleinen plicht, dien hij vervulde. De ontvanger van aalmoezen kan een schobbejak zijn... hij is het niet altijd. Maar de gever voldoet aan een der beste gevoelens in den mensch, het medelijden.
Ik bedankte, hinkte weer voort. Terzijde van 't bosch is een laantje, dat bij een boerenhoeve doorloopt. Dat laantje strompelde ik af. Uit een bleekerij kwamen twee mannen.
‘Pas op de kippen vanavond. Daar heb je den dief,’ zei een van de mannen.
Ik liep door. Twee arme boerenkinderen kwamen mij tegemoet. De kinderen groetten mij met een vriendelijken knik.
Na een poosje keerde ik terug, zocht een afgelegen bank op in 't bosch en rustte een uur. Daarna gebruikte ik mijn lunch en ging
weer op weg. Thans strompelde ik eerst door de nieuw aangelegde wijken. Metselaars van een in aanbouw zijnd huis riepen mij na.
‘Dat is de dief, die uit Amsterdam gevlucht is. Daar heb je hem nou,’ riep er een.
‘Hou je sm...l. Al was 't zoo, wat gaat het jou dan aan. Laat dien armen man met rust. Weet jij wat jou te wachten staat!’ vermaande luid een opperman van een steiger hooger.
Ik liep ongehinderd verder.
Een heer, die een huis wilde binnengaan, keek mij aan. 'k Zag in zijn oogen meêwaren. Hij gaf mij één cent uit zijn spoorzakje. 'k Bedankte hem. Hij wendde 't hoofd aangedaan af en schelde aan.
'k Sleepte mij voort. 'k Was werkelijk doodmoe. En toch was ik gedwongen om den weg naar het huis, waar 'k mijn diner zou kunnen gebruiken en mijn journaal schrijven, af te leggen hinkend met mijn kruk. Mij dunkt, ik maakte een zeer droevige vertooning. Op een der deftige grachten voelde ik mij te moede en ging op een stoep voor een huis zitten, de kruk naast mij. Het was schemerdonker en de gasgloeilichtlantarens werden opgestoken. Equipages reden mij voorbij, fietsers, een automobiel. Deftige lieden, die naar huis gingen, zagen mij, arme, ingedoken op de stoep zitten. Niemand, die zich mijner aantrok. Dames, die te dicht langs mij gingen, weken, mij bemerkend, schichtig een stapje terzijde.
Een troep jongens kwam van school. Het waren kinderen van negen tot elf jaar, kinderen uit den deftigen stand.
Zoodra zij mij zagen zitten, begonnen zij mij uit te jouwen en te sarren. Eén, een dikke blozende knaap, schreeuwde: ‘Hé, hé, van de stoep af! Van de stoep af!’ met het doel, den bewoner van 't huis op mij opmerkzaam te maken.
Toen zij merkten, dat hun gesar mij niet uit mijn geveinsde apathie opwekte, gingen zij heen. Doch eenige oogenblikken later kwam plotseling een der jongens weer terug, schreeuwde mij dicht bij 't oor een scheldwoord toe, zoodat ik plots opschrikte. De jongen was al weder weggeloopen vóór 'k mij kon oprichten en liep gillend en lachend met zijn kornuiten weg.
--------------------
Er moet iets in de opvoeding dezer kinderen ontbreken, dat zij tot zoo iets in staat zijn. De kinderen der armenscholen hadden medelijden. De weldoorvoede jongens van den deftigen stand meenden met den armen zwerver een pretje te kunnen maken. Hun ontbreekt het besef van 't ongeluk arm te zijn. Weelde verfijnt, maar verkilt tevens.
Ik bleef zitten en nu gebeurde er in mij iets heel vreemds. Ik voelde mij een oogenblik werkelijk als een verschopte, moede bedelaar, neergezonken op de stoep van een rijk huis. En ik voelde de wereld die langs mij ging als iets ontzettend wreeds en gemeens.
En ook voelde ik, dat deze toestand het begin moet zijn van indolentie, idiotisme, of misdaad.
--------------------
'k Stond op, strompelde verder. Nu 't donker was geworden, merkte ik, dat de menschen banger voor mij waren dan op den dag. Ze weken voor mij uit. Doch niemand, die mij iets gaf. Ik plaatste mij nu op 't Binnenhof naast een der geopende poorten, waarlangs de ambtenaren, die de kantoren verlieten, moesten gaan.
Een veertigtal passeerden mij. Niet één die zich iets aantrok van den armen gebrekkige, die daar ineengedoken in den avond, stom en apathisch zat.
Daarna stond ik op en strompelde naar mijn kamer. En hier bij een goed maal herstelde ik mij van de droevige ondervinding van dezen eersten dag. Nadat ik dit in mijn journaal had geschreven, vertrok ik weder, ging langs stille donkere grachtjes naar mijn logement.
‘Kan ik ook een Zimmer krijgen voor een dubbeltje?’ vroeg ik.
‘Nee, de prijs is een kwartje.’
‘Hier is main kwartje,’ zeide ik, een kwartje aan den baas gevend.
‘Je weet den weg. Hier de trap op, man.’
En 'k strompelde weer naar boven, het zoldertje op, kroop in 't bed onder de dakpannen.
Doodmoe viel ik in slaap. Maar niet voor ik berekend had, dat deze heele dag mij niet meer dan 18 cent had opgebracht.