terug  begin  verderprepost
[p. 49]

VI.



illustratie

Donderdag 23 November. Hoe behandelt men over 't algemeen den kleinen, eerlijken venter, die huis aan huis iets te koop aanbiedt, dat werkelijk in de huishouding te gebruiken is, stoffers, bezems, lampenwisschers, walmschermpjes?

Dit was de vraag, die ik mij heden morgen stelde en ik besloot mijn geluk te beproeven met den verkoop van kachelpotlood langs de huizen. Ik had den vorigen dag een dozijn doosjes gekocht van een potlood in doosjes, waarvoor veel reclame werd gemaakt. Deze doosjes nu ging ik verkoopen met een halven cent winst per doosje. Doch nu moest mijn voorkomen wat netter en vooral zindelijker zijn en zoo verbaasde ik dien morgen de gasten doordat ik water, zeep en een handdoek vroeg om mij te wasschen.

De waardin gaf mij op 't plaatsje een teiltje met water, een lik groene zeep en een kleinen, groven, maar zindelijken handdoek, die gevouwen uit de kast kwam en naar bleekpoeder rook. Doch voor een kwartje per nacht met 's avonds en 's morgens koffie, een zindelijk veeren bed, een welverwarmde gelagkamer kan men geen waschtafel met marmeren blad verlangen en ik volgde welgemoed het voorbeeld van den Stomp, die met zijn hoofd en zijn gezicht wit-ingezeept te proesten stond boven een andere teil met water.

Ik waschte mij dus. En toen ik mij afgedroogd had en binnen kwam, frisch, blozend en ondanks mijn eigen tegenstand opgewekt, keken mij de gasten allen aan.

‘Wel man, je bent opeens een ander mensch geworden,’ zei Dirk de harmonica-speler.

‘'t Is een mesjeu, as je 'm zoo ziet,’ schertste Piet.

‘Die man het 't misschien, toen-ie jonk was, beter gehad dan jij, Piet!’

‘Nou, dat mot ik me nog met bewijzen aangehaald zien. Toen ik dertig jaar was en je zag mij, toen was ik een bamboucheur, hoor je. Ik droeg een zwart pak van laken met een zijen overslag en een wijd boord, tweemaal in de week schoon en zoo helder als sneeuw op 't dak... En ik had een gouwe ketting op mijn vest, een vest met rooie bloemetjes er in geborduurd...’

‘Hoor Piet is. Die het 't altijd over zijn vroegere grootheid. 'k Wou, dat je 't nou nog had...’

[p. 50]

‘Dat mag je me wenschen, man. En dat zou voor jelui goed zijn ook. Want 'k heb menigmaal een ander wat geleend, hoor. 't Kon mij niet schelen of ze me een kwartje of tien stuivers vroegen. Hier is 't, zei ik dan maar. En as ze 't niet terug brachten, dan liet ik 't maar zitten...’

‘Nou, leen me dan nou maar een zoof, Piet...’

‘Dat 's gekheid. Nou is 't uit. 'k Ben te oud...!’

Hij ging voor de kachel staan en zweeg in gepeinzen.

‘Juffrouw,’ zei 'k tot de waardin: ‘Hier ha... ha...ben Sie een doo, doo... doosje...’

‘Nee man, 't is mij te duur.’

‘Nein, Geschenk...’

‘Nou, dank je hoor. D'r is niks goeiekooper, dan wat je krijgt... En heb-ie nou een nieuwen handel?’

‘Ja joeffrouw.’

‘Nou, geluk 'r mee hoor. Maar nou mag je 't mij niet voor niks geven. Hier heb je vijf centen voor je handgift...’

Ik weigerde.

‘Nein joeffrouw, aber ha, ha, haben Sie ein Stückchen Eisen? Dan bind ik er een doosje auf en, en, en ik potlood die Hälfte en dat an, an, andere lasse ik roestig. Om 't ze te laten zien...’

‘Hij 's nog goochem. Nelis, kijk is op zolder. Daar leit een oud schoorsteenplaatje. We zullen je inspannen hoor, stakkerd.’

Er was wat vriendelijks in haar toon. Deze menschen waren allen ruw, hard. Maar toch had het wreede leven niet alles in hen bedorven en de meesten, dat merkte ik, waren mij welgezind. Behalve de orgeldraaier, die zijn vrouw mishandelde, waren er in dit hotel niet bepaald gemeene individuen. En deze orgeldraaier zelf was evenmin een slecht mensch.

Want terwijl ik wachtte op het ijzeren plaatje en de venters en bedelaars hun koffie dronken en brood aten, spraken zij over den orgeldraaier. Zij kenden zijn meest intieme bijzonderheden, die hier niet weergegeven behoeven te worden.

En toeluisterend wist ik, dat deze man, hier veracht en alleen geduld, omdat hij prompt betaalde en wel eens een pruim tabak of een stukje vleesch weggaf, een moreel-zieke was, een die hoorde in het gesticht, het midden houdende tusschen werkhuis en krankzinnigengesticht, dat de negentiende eeuw niet gebouwd heeft voor de ongelukkige on-begrepenen, zooals vroegere eeuwen hysterischen als heksen hadden verbrand en krankzinnigen geketend hadden in vochtige kelderhokken of ze met stokken hebben doen mishandelen, om er den kwaden geest uit te drijven.

‘Nou mannetje, wat zeg je nou daarvan?’

De zoon van den waard bracht mij een rond ijzeren plaatje. De helft werd gepotlood, de andere helft roestig gelaten. En met koperdraad hechtte de zoon er toen een doosje van mijn voorraad op.

‘Nou, geluk met je nieuwe negotie!’ zei Dirk, toen ik de deur uitstrompelde.

Ik ging naar de Koninginnegracht en begon daar mijn experiment.

[p. 51]

Huis aan huis schelde ik aan en bood mijn potloodglans te koop aan.

Na vijf uur werkens had ik... drie doosjes verkocht. Ik spaar u 't verhaal van de zeer ontmoedigende ervaringen. Vaak deed men de deur niet eens open. Velen keken een oogenblik nieuwsgierig naar mijn ijzeren plaatje, waarop het schitterend resultaat van mijn kachelglans zoo duidelijk was voorgesteld en zeiden dan: ‘Wij koopen het bij den kruidenier’; of: ‘Wij hebben geëmailleerde kachels,’ of een dergelijke uitvlucht.

Bij één huis, toen een juffrouw mij zeide, dat ze 't bij den kruidenier kocht, zeide ik:

‘Maar juffrouw, ik verkoop het goedkooper dan in den winkel. Daar kost het zes cent en ik geef 't u voor een stuiver...’

De juffrouw bleef even talmen, kierde de deur een beetje verder open...

‘Een cent goedkooper,’ zei 'k nogmaals zeer ernstig en nadrukkelijk.

Zij nam een doosje aan, haalde haar portemonnaie uit den zak en gaf mij vijf cent.

Zuinigheid der Hollandsche huisvrouw, ditmaal heb ik u bespot. Ik weet wel, dat zuinigheid en een dubbeltje in 't spreekwoord elkaar kennen. Maar wanneer men in een huis woont met vier groote ramen aan de straat, een bordes, een marmeren gang...... ai spaarzaamheid, nu vat ik de ironie van den man, die een varken als spaarpot uitvond!

Het tweede doosje sleet ik aan een dienstmeisje, dat het aannam met de korzelige drift van een veelgeplaagd mensch.

‘Nou, geef maar op. Maar 'k gooi het je eigenlijk net zoo lief naar je kop, met dat gebel aan de deur...’

Vóórdat ze mij vijf cent gaf, opende zij het doosje, om te zien of er wel inzat, wat ik had gezegd.

Het derde doosje verkocht ik aan een dienstbode van gevorderden leeftijd met een kornet op en rood haar.

‘'k Heb het niet noodig, mannetje,’ zei ze zacht en medelijdend.

‘'t Is zoo uitstekend, juffrouw. Kijkt u eens wat een glans!’

En ik liet haar 't ijzeren plaatje zien.

‘Nou mannetje, noodig heb ik 't niet. Maar ik zal het koopen, omdat jij zoo graag vijf centen hebt hoor...’

--------------------

Geachte theoretici en geëerde collega's in de pers, die in uw Haagsche Brieven zoo klaagt over den last van de venters en 't bedelvolk aan de deur, klachte aandoenelijk die opbrengt meer dan vijf cent per regel, ik erken, dat het gebel aan de deur een groote last is.

Maar zie, als de slager gebeld heeft voor 't vleesch, de kruidenier voor de koloniale waren, de bakker voor het brood, de confiseur voor de snoeperij voor 't avondfeestje, de fruitman, de melkboer, de vischhandelaar, de boterhandelaar, de eierenboer en de kippenboer, de man van de diaconie-collecte, de kar met vuurmakers, de scharenslijper,

[p. 52]

de zandman, de orgeldraaier, de schilleman, de bierhandelaar, de mineraalwater-leverancier, de colporteur met boekwerken of met een inteekenlijst, de kleermaker die komt passen, de modemaakster, de huisonderwijzer, de schoenmaker, de klokopwinder, de kapper, de piano-juffrouw en zoovelen meer......

Laat dan niet al het wicht van de bel-boosheid neerkomen op 't arme koopmannetje, hij, die zich 't minst kan verdedigen en die het toch zoo bitter noodig kan hebben.

En als gij u wapent met dat hatelijke grauwe bordje ‘Armenzorg’ en daaraan het recht meent te mogen ontleenen om den venter, een eerlijk koopmannetje, zooals wellicht uw grootvader of overgrootvader was, die den grond voor uw fortuin legde, onverbiddelijk van uw deur te wijzen, zeg ik u, dat uw bordje voor den weldenkende niet is het bewijs uwer wel-geordende liefdadigheid, maar het uithangbord van uw harteloosheid.

Gij behoeft het niet te overdrijven. Het is niet noodzakelijk, dat gij van elken venter iets koopt. Het vak van venter zou dan voor honderden een beroep worden en gij zoudt door de menigte tot geen hulp meer in staat zijn.

Doch de geheime bond tegen den huisventer, dien gij nu gevormd hebt, is al te hard. Laat den arme van uw mooi huis met breede deur niet altijd den indruk krijgen, dat het voor hem ongenaakbaar is.

Koop eens wat van den venter. Denk niet steeds, dat uw buurman er wel voor zorgen zal. Hij denkt 'tzelfde van u.

De man, die aan uw deur komt met garen en band, met borstelwerk, met lampeschuiers, met lampekappen - hij is vaak een eerlijke arme, die verdient geholpen te worden. Want uwe liefdadigheidsvereenigingen mogen voorbeeldig geadministreerd worden - de huisventer is de arme, die zich zelf tracht te helpen. Hij is handelaar, geen bedelaar.

Waarom dan zijn aanbellen niet aanvaard, zooals gij 't immers ook verdraagt van de twintig anderen, die hoofdzakelijk komen voor úw genot.

Bestrijdt de bedelarij, vóóral de beroeps-bedelarij, maar bestrijdt haar van binnen naar buiten, niet van buiten naar binnen.

Zoolang uwe liefdadigheid lapwerk blijft... welnu, laat dan, zoolang er geen nieuw kleed is, die oude lap op dat kleed, welke het geven aan de deur heet.

--------------------

prepostterug  begin  verder