
Vrijdag 1 December. Hedenavond besloot ik in 't Leger des Heils te gaan slapen. Het was regenachtig weer en toen ik weder de inrichting nabij het Koninklijk Paleis binnenging, herkende de portier mij dadelijk.
‘Kan ik hier slapen, mijnheer?’
‘Jawel, maar dat kost een kwartje.’
‘Is 't niet goedkooper?’
‘Neen, een kwartje.’
Ik betaalde het kwartje.
‘Mijnheer,’ zeide ik, ‘ik heb een portemonnaie met een gulden, kan ik die hier laten?’
‘Neen, dat kan niet. Maar er zijn hier gewoonlijk geen dieven.’
‘En mijn poppen, die wekken maar opzien.’
‘Die zal ik hier voor je bewaren.’
Ik ging het plaatsje over en de zaal binnen, waar een dienst werd gehouden. De rumoerige godsdienstoefeningen van het Leger des Heils zijn genoeg bekend, dan dat ik ze hier behoef te beschrijven. Het zaaltje was vol met een honderdtal personen en op het podium stond een heilssoldaat te betoogen. Er waren veel vrouwen in 't zaaltje, dienstmeisjes, die hier haar avond doorbrachten met het zingen der heilsliederen en het luisteren naar de toespraken. Er liepen ook verscheidene vrouwelijke soldaten rond. Het stonk benauwd in 't overvolle zaaltje, waar de natte mantels in de warmte aan 't drogen waren. Men schikte vriendschappelijk voor mij in en niemand sloeg bijzonder acht op mij.
Dit viel mij tegen. Ik had verwacht, dat een der zusters mij zou aangeboden hebben, mijn zoo deerlijk gescheurde jas een beetje te verstellen. Dat zou een harmonischer accompagnement van de liederen zijn geweest, dan de turksche trom en de cornet à pistons benevens het handgeklap.
Te tien uur was de dienst geëindigd en wij gingen naar de groote eetzaal. Ik schat, dat er zoowat een tweehonderd mannen in de zaal aan de houten tafels zaten. Ik nam hen op. Behalve de gewone typen van arme werklui zag ik er verscheidene, aan wie men kon zien, dat zij beter dagen gekend hebben.
Nadat allen gezeten waren, kregen wij een kom koffie, zeer slechte,
voor mij ondrinkbare koffie en twee sneden grof, maar goed brood met margarine. De man naast mij nam met graagte de twee sneden aan, die ik hem schonk. Er werd een kort gebed gedaan en een der mannen aan mijn tafel las een stuk uit den Bijbel voor.
Daarna begon men te eten. Na dit avondmaal, waarbij ik getroffen werd door den kalmen, maar gedrukten toon, die er heerschte, kwam een majoor naar de tafels en vroeg, wie van de aanwezigen wat te vragen had. Verscheidenen vroegen eenig geld, één dubbeltje, twee dubbeltjes, een kwartje, anderen vroegen een paar schoenen, een jas, een wintervest.
Een vroeg een boordje.
‘Heb je vroeger wel eens een boordje gedragen?’
‘Neen,’ zeide hij kleurend.
‘Welnu, dan behoef je het hier toch ook niet te hebben.’
Een jongen over mij scheen ook wat te willen vragen, maar niet te durven.
‘Nu, heb je wat op je hart?’ vroeg de majoor.
‘Ja, 'k wou graag een paar schoenen hebben, maar ik zal ze toch wel niet krijgen.’
‘Laat je in elk geval op 't lijstje zetten. Als ze er zijn en je hebt ze noodig, zal je ze hebben.’
‘Mijnheer!’ riep ik.
‘Wel, vriend?’
‘Mijnheer, ik heb een kwartje betaald voor mijn logies. Maar dat is wat erg veel voor mij. Kan ik 't niet wat goedkooper krijgen?’
‘Neen, een kwartje is de prijs.’
‘Maar betaalt ieder hier dan zooveel?’
‘De menschen hier werken op den dag en verdienen zoo kost en inwoning.’
‘Maar als ik nu eens in 't geheel geen geld had en ik meldde mij hier aan om te slapen?’
‘Dan zou ik zien of ik zelf nog niet een kwartje over had en dat voor je aan 't Leger betalen...’
Toen de majoor met zijn lijst gereed was, gingen wij naar de slaapzaal. Het was een bedompt, klein zaaltje, laag van verdieping, met twee petroleumlampen. En stonden veldbedden van dezelfde soort als in het tehuis in 't Hofje van Sas, doch de ijzeren ringen waren hier door touw vervangen, zoodat hier niet het hinderend gerinkel vernomen werd. Een kachel verbreidde een overmatige hitte en weldra was het stikkend benauwd in het zaaltje, waar, naar ik bereken, een zestigtal mannen sliepen.
O, deze lange nacht in dit stinkende broeierige lokaaltje, op een slecht zeil, tusschen zestig arme, ongelukkige verworpelingen - nooit zal ik zijn verschrikkingen vergeten. De veldbedden stonden zoo dicht tegen elkaar, dat men over het eene bed in het andere moest stappen. En de soldaat-beambte had de domheid om na een laatste inspectie de petroleumlamp laag te draaien, zoodat deze ging stinken en hij had haar in schommelende beweging gebracht, zoodat de schaduw van haar kap op en neder langs mijn gelaat streek; het
hielp niet of ik mijn oogen sloot. Telkens streek er een schaduw langs mijn oogen - licht - donker - licht - donker. Een der mannen stond plotseling op en hield de lamp met de hand stil. Ik was hem in stilte dankbaar.
Den ganschen nacht bleef ik wakker en ik was blij, toen ik eindelijk tegen half vijf buiten geschoffel hoorde en op kon staan. Buiten waren al mannen uit de andere slaapzaal zich aan 't wasschen aan een soort langen gootsteen.
Ik zag, dat zij zich afdroogden aan een vies lapje en enkelen aan hun boezeroen of met hun jas.
Daar ik meende, als iemand die een kwartje betaald had voor deze ellendige slaapplaats, recht te hebben op een handdoek, ging ik naar den portier en vroeg of hij een handdoek voor mij had.
‘Handdoeken hebben wij hier niet.’
‘Maar ik wil er u desnoods extra voor betalen.’
‘Kom, wasch je maar zoo. Een gesjochte jongen mot zich weten te helpen.’
De gesjochte jongen waschte zich niet, liet de twee sneden brood en de slechte koffie in de ontbijtzaal onaangeroerd en begaf zich weer naar buiten, in den vroegen, frisschen wintermorgen.
--------------------
Het Leger des Heils is een zonderlinge liefdadigheidsinstelling. Het is ieders recht liefdadigheid uit te oefenen en het is prijzenswaard zich het lot der verstootelingen en zwakken in de maatschappij aan te trekken. Doch het Leger des Heils, hoe goed ook bedoeld, heeft groote fouten.
Ten eerste: Waar is de rekening en verantwoording van de gelden en goederen, die het Leger des Heils ontvangt?
Van welk geld worden de lokalen gehuurd, de beambten betaald en gekleed (die hier den naam van soldaat, cadet, etc., ontvangen). Van welk geld worden de muziekinstrumenten gekocht? Wordt er geld uit Nederland gezonden naar afdeelingen van het Leger in andere landen? Of omgekeerd, wordt uit andere landen geld naar Nederland gezonden?
Hoe groot is de som gelds, die het Leger 's jaars in Nederland ontvangt? Hoe wordt ze besteed? Hoe groot zijn de salarissen van hoogere en lagere beambten?
Wij hebben hier te doen met een groot lichaam. Welk toezicht bestaat op dat lichaam?
Het Leger is zeer actief. Maar die activiteit kon het in Den Haag toch niet zoover brengen, dat den ongelukkigen (waarvan er sommigen hier al langer dan vier maanden waren) een eenigszins voldoende slaapplaats werd verschaft.
Het Leger beweert, dat niemand er tot den godsdienst wordt gedwongen. Maar mijn ondervinding is, dat de godsdienst en de liefdadigheid bij het Leger zeer verknocht zijn. En dit zou volkomen gerechtvaardigd zijn, indien het een inrichting was, gelijk bijv. het Roomsch-Katholiek weeshuis te Amsterdam, waar alleen katholieke weezen toegang hebben. Maar bij 't Leger komen armen van alle
gezindten. Zij zijn door hun groote armoede afhankelijk, gedrukt en voor een snee brood en een onderdak op een stuk gespannen zeil zijn zij gaarne geneigd mede te doen aan gebed enz. Dit is misbruik maken van de armoede der menschen om op de vrijheid van geweten inbreuk te maken.
Het Leger des Heils krijgt geld en goederen van menschen met allerlei overtuigingen. Ja, en dit is weder een schaduwzijde van het Leger, men meent dat, nu het Leger zorgt voor de verworpelingen, men zich hun lot niet behoeft aan te trekken, anders dan door het L. d. H. nu en dan wat te schenken. Mij dunkt, dat een instelling zonder bepaald godsdienstige richting, met welwillendheid, takt en ethische principes als leidende kracht, behoorlijk gecontroleerd van gemeente- of staatswege, zoo niet het L. d. H. zou verdringen, dan toch naast het L. d. H. in een richting zou kunnen werken, waarbij meer de persoonlijke overtuigingen en gevoelens, ook van den bezitlooze, zouden worden gehuldigd.
De ‘Toevlucht voor Onbehuisden’ te Amsterdam schijnt mij de eerste stap op een beteren, gezonden en weg te zijn. Maar deze en dergelijke inrichtingen zouden van stadswege (en daar zij immers ook voor niet-Amsterdammers openstaan) van Rijkswege subsidie moeten ontvangen, waarvoor Stad en Staat zich 't recht verwierven stem te hebben in den Raad van Beheer.
Zoolang Stad en Staat zelve niet kunnen zorgen voor hunne arme burgers, echter mede-bezitters van 's lands- enstads-rijkdommen, publieke gebouwen, musea en fondsen, mede-erfgenamen van wat Stad en Staat ontvangen, mede-betalenden in de kosten van 's lands- en stads-werken, straks zoo noodig, Z.-Afrika geeft ons 't voorbeeld, mede-strijders voor 's lands onafhankelijkheid en verdedigers van de rijkdommen van allen, die bezitten, mede-nakomelingen van ons voorgeslacht, dat niet zijn bloed gestort heeft en zijn rijkdommen vergaard heeft voor een deel, maar voor de geheele nakomelingschap, zoolang meen ik heeft elk Nederlander recht op brood, onderdak en arbeid.
En het mag niet, het kan niet goed zijn, dat wij musea bouwen voor schilderijen, schouwburgen subsidiëeren voor vermaak, terwijl nog altijd het dak ontbreekt voor degenen, die gebrek hebben aan 't allernoodigste en dat slechts kunnen verkrijgen ten koste van de volkomen individueele vrijheid, in ons schoon Nederland het aller-allerhoogste.