De toespraak van Joan Derk van der Capellen tot den Pol, werd op 19 januari 1784 gehouden ter gelegenheid van de installatie van het Schutters Genootschap te Zwolle, waarvan hij tot kolonel was gekozen. Deze in maart 1784 in De Post van den Neder-Rhijn, no. 221, afgedrukte ‘Aanspraak’ kan tevens gezien worden als een weergave van de toekomstvisie van Van der Capellen op de ideale democratische inrichting van een complexe samenleving als de Nederlandse.
Het door Van der Capellen geponeerde en door zijn Schutters Genootschap aanvaarde beginsel, dat de Officieren der Schutterijen door de Schutters gekozen dienen te worden, is overgenomen in artikel VIII van het Leids Ontwerp (zie hierachter Bijlage III).
Het is met meer genoegen, dan ik woorden kan vinden, om uittedrukken, dat ik Ulieden, dat ik ons allen, dat ik deeze Stad, dat ik de goede zaak, de zaak der Vrijheid geluk wensche met het groote werk, welk heden onder ons tot stand is gebragt.
Ons eerste zamenstel van wetten was, gelijk gijl. weet, in veele opzigten onvoldoende. Wij waren reeds in onze eerste bijeenkomst genoodzaakt van het zelve, in wezenlijke artijke-
len, aftegaan. En nadien eene Maatschappij, zoo talrijk en van zulken aart als de onze, niet lang zonder goede order, zonder goed bestier, bestaan kan, zoo dagten wij, dat wij aan het vertrouwen, waar meede Gijl. ons heb vereerd, door ons tot Ulieder Officieren aan te stellen, als mede aan de pligten, die deswegens op ons lagen, niet beter konden beantwoorden, dan door, zonder tijdverzuim, een nieuw zamenstel van wetten te vervaardigen, en aan Ulieden ter overweging voortedraagen; een zamenstel, waarde Schutters! waar in de Officieren, inzonderheid de Lieutenanten en Vaandrigs getoond hebben, dat zij in staat zijn, opofferingen aan het algemeen te doen, en dat Ulieder genoegen en belangen hun meer ter harte gingen, dan regten, die hun toekwamen, en die zij door middel van het voorig plan, waar op zij aangesteld waren, wel en wettig hadden verkregen. Onze Maatschappij was reeds talrijk genoeg, om alle die ongelegenheden te ondervinden, die alle zoo oude als nieuwe Maatschappijen ondervonden hebben, in welken de meenigte, in plaats van de bestiering haarer zaaken in handen van weinigen te stellen, verkooren heeft, zelve in eigener persoonen te regeeren.
In de oude Grieksche Republieken, in de Republiek van Rome viel het Volk, dat is de Leden van drie groote Maatschappijen, in dit ongelukkig denkbeeld; en dit was de oorzaak, dat die anderzins bloeijende Maatschappijen, die in andere opzigten geschaapen scheenen, de eeuwen te zullen verduuren, niet anders dan toneelen van onafgebrooken verwarringen vertoonden, die op den ondergang van alle dezelven uitliepen. Wijl onze Maatschappij, gelijk ik gezegd hebbe, reeds talrijk genoeg was, om alle de nadeelige gevolgen te ondervinden, die uit gebrek aan goede order gebooren worden, en nadien de aart en oogmerken onzer vereeniging de goede order op eene nog meer bijzondere wijze onder ons noodzakelijk maakten, zoo meenden wij voor alle dingen dezelve onder onze Maatschappij te moeten invoeren. Wij hebben dit in ons
samenstel van wetten gedaan; maar wij hebben ons ook herinnerd, steeds voorgesteld, nimmer uit het oog verlooren, hoe klein de overgang tusschen het handhaaven van goede order en het bekorten der Vrijheid is; - hoe dat van alle tijden de schreeuwenste inbreuken in elkanders regten, ja de gruwelijkste dwingelandijen onder het menschdom, enkel en alleen onder een glimpig voorgeeven van dat handhaaven van goede order, gepleegd en uitgeoeffend zijn; wij hebben derhalven gemeend, bij dit invoeren van goede order onder onze Maatschappij, Ulieder regten, als leden van dezelve aangemerkt, allerangstvalligst te moeten bewaaken; en wij beroepen ons op allen, tot wier kennis nu of namaals het door ons opgesteld plan van wetten zal koomen, of wij in deezen getrouw zijn geweest of niet aan onze grondbeginselen en verpligtingen.
Overal, in alle zaaken, waar Ulieder invloed nodig was, zelfs waar die maar niet schaden kon, hebben wij aan denzelven zijnen loop gegeeven. Nimmer hadden de Leden van eenige Maatschappij meer nog kragtdadiger teugels in handen ter leiding, des noods, ten bedwang van hen, die zij tot directeurs van dezelve hadden aangesteld, dan Gijlieden hebt; voor zoo verre ons bekend is, heeft geen Schutters Genootschap, geene Burger-Schutterij, de magt om niet alleen de Officieren te benoemen, maar ook, in geval van misnoegen over hunnen dienst of gedrag, hen te kunnen ontzetten. Deeze magt hebt Gijl., en ik twijfele geenszins of Gijlieden zult dit artijkel der wetten, zoo als het ook in der daad is, steeds aanmerken als de hoofdzuile, als het plegtanker van Ulieder Vrijheid, als Leden deezer gewapende Maatschappij. Hier door zult Gijl. steeds zoo veel invloeds over Uwe Officieren en Directeuren kunnen uitoefenen, als nodig zal zijn, om elk tot zijnen pligt te houden.
Doch spaarzaam, waarde Schutters! moet het gebruik zijn, welk Gijl. van dit middel moet maaken. Het moet, even als het ontzetten van kwalijk dienende Regeerders, in 't algemeen,
meen, een uiterste zijn, daar Gijl. niet ligt toe moet, en ik houde mij verzekerd, niet ligt toe zult koomen. Dit hulpmiddel, hoe heilzaam in geval van nood, zou, te vaak, of te onvoorzigtig gebruikt, erger dan de kwaale zelve kunnen worden.
Vergunt mij manhafte Schutters! nog een oogenblik aandagts omtrent een ander allergewigtigst onderwerp. Ik bedoele den aart der krijgstugt, die, zullen wij ons oogmerk bereiken, onder ons dient ingevoerd te worden.
Het is de zugt tot Vrijheid, die ons heeft samengebragt. De ondervinding van alle tijden en Volken had ons geleerd (gelijk ik mij onlangs bij eene andere gelegenheid uitdrukte) dat ‘zonder wapenen te hebben, en die te kunnen behandelen, het onmogelijk is, dat een Volk zijne onafhanglijkheid buiten of binnenslands kan bewaaren. Dat door de wapenoeffening onze Voorouders Mannen waaren gebleeven. Dat de Vrijheid enkel door de Natie zelve in eigener persoon kan worden beschermd. Dat Burgers haare natuurlijke lijfwagt zijn. Dat haar, in het midden van een ongewapend, weerloos of verwijfd Volk, eenen Zetel te willen stichten, eene hersenschim een ijdele droom is.’
Wij hebben ons over zulks, ten einde onze Stadgenooten, zoo veel in ons is, gewapend en in den wapenhandel geoeffend te krijgen, en inzonderheid, om zelfs voor onze persoonen, de hedendaagsche Krijgskunde te leeren, tot dit militair Genootschap vereenigd: maar nimmer zouden wij dit ons oogmerk bereiken, indien wij ons niet aan eene naauwkeurige krijgstugt gewenden. Het moet derhalven onze wil en welbehagen zijn; wij allen moeten daar in overeenstemmen, dat zoo veel ondergeschiktheid onder ons zal plaats grijpen, als nodig zal bevonden worden, om het voorgestelde oogmerk te bereiken. Wij willen derhalven, dat de nodige orders en commandoos worden gegeeven, en dat zij worden ter uitvoer gebragt: doch men zoude zich vergissen, wanneer men die orders, deeze commandoos aanmerkte, als den wil van den Officier of
Onder-officier, die dezelven geeft: Neen, Mannen! zij zijn de orders, zij zijn de commandoos, zij zijn de wil en het welbehagen van het gantsche Genootschap. De Officier of Onderofficier is slegts de mond van het Genootschap. De Leden van het Genootschap willen, dat die orders, die commandoos zullen worden gegeeven, jaa aan hun zelven worden gegeeven, en door hen zelven worden ten uitvoer gebragt.
De Leden van het Genootschap volbrengen dus in der daad hunne eigen orders en commandoos. Deeze bedenking moet de Leden, (en ik bedoele hier voornamelijk de jongere Leden, wier oordeel minder rijp en wier bloed meer vlugtig is,) de correctien, die hun (doch altijd, zoo als het onder vrije lieden betaamt, met de uiterste bescheidenheid) moeten en zullen gegeeven worden, met genoegen doen ontfangen. Zij moeten nimmer vergeeten, dat den Krijgsdienst te leeren hunne bedoeling is, en dat zij dit voorgestelde doel nimmer kunnen treffen, dan door de, ingevolge hunne eigen begeerte aan hun gegeven correctien en bevelen, met alle uiterlijke vertooning van militairen spoed en bereidvaardigheid, jaa met eenen uitterlijken schijn van Krijgstuchtelijke gehoorzaamheid te ontfangen en ter uitvoer te brengen.
Wijl nu manhafte Schutters! Ulieder Genootschap tot stand en dus het toppunt mijner wenschen vervuld is, neeme ik deeze geleegenheid waar, om Ulieden mijne erkentenis te betuigen voor de eer, die ik hebbe genooten van door Ulieder eenpaarige stemmen aan het hoofd van het zelve geplaatst te worden.
V. Hoewel de weezenlyke Souvereiniteit by het Volk berust, zoo zal echter, aangezien de ondervinding geleerd heeft, dat het Volk de publyke zaaken niet in eigen persoon kan bestuuren, zonder dat daaruit de gevaarlykste misbruiken voortvloeien, het Regeerings-bestuur onherroepelyk gelaaten worden aan de onderscheidene Collegien en Departementen van Staat. Dan, daar het Volk geen afstand kan doen van het recht, om zyn invloed op de Regeering te oeffenen, en dezelve voor te lichten door Memoriën, Adressen en Requesten; daar dit belangryk recht niet van weezenlyk nut kan zijn, dan wanneer het Volk behoorlyk verlicht en kundig is; en het Volk niet verlicht en onderricht kan worden, dan wanneer men vryelyk mag spreeken en schrijven, zoo zal dit recht van vry spreeken en schrijven onschendbaar gehandhaafd worden, als een der voornaamste grondslagen onzer vrye Constitutie, die nimmer beperkt, maar waarvan het daadelyk misbruik telkens langs den weg van ordinaire Justitie gecorrigeerd kan worden.
VIII. Ter bekooming van vrye Burger- Krygsraaden zullen alle de Officieren der Schutteryen eeniglyk door de Schutters van hun Corps verkooren worden, zoodanig dat de onderhoorige Schutters altoos eenen billyken en nuttigen invloed op hunne Officieren behouden; en op zulke plaatsen, daar het gebruik of de Reglementen die posten aan de Regeerings-Leden ontzeggen, zal men deeze heilzaame schikking zorgvuldig handhaaven.
IX. Ten einde de voornaamste Burgers aantemoedigen, om zich in de gewapende Burgercorpsen te begeeven, en om den
Candidaaten, ter Regeering geschikt, geleegenheid te bezorgen, hunne Burgers meer van naby te leeren kennen, zal niemand tot eenige bediening in de Regeering verheven worden, die niet een zekeren bepaalden tyd aan de Militaire Exercitien in een Burgercorps of Schutterye heeft deel genoomen.
X. Men zal, ter verzekering van het aanzien der Regenten, en om het Volk een waarborg te verschaffen wegens derzelver eerlykheid in het bestuur der geldmiddelen, Burger-Gecommitteerden aanstellen, welker voornaamste post zal zyn een waakend oog te houden op de handhaving der Rechten en Privilegien; om order te stellen in 't stuk der Nominatien; om uit naam der Burgery Requesten te presenteren, en inzonderheid om, op vast gestelde tyden, onderzoek te doen naar het bestuur der Geldmiddelen, het zy door het nazien der reekeningen, het zy door het voorstellen van ontwerpen van bezuiniging; als mede, om met de Regeering te raadplegen, wanneer er eene nieuwe belasting ingevoerd moest worden, of wanneer men eenige aankoop wilde doen, of een of ander Etablissement oprigten op kosten van het algemeen, of wel eene of andere van deszelfs bezittingen wilde verpanden, vervreemden of verkoopen.
XI. Ter betere bestuuring der Geldmiddelen zal er jaarlyks in iedere plaats, in deeze Provincie, als ook van de Generaliteits Kasse, behoorlyke reekening en verantwoording van ontfangst en uitgaaf gedaan worden; op zoodaanige wyze, alsdan te beraamen, dat het publycq Crediet daarby niet kome te lyden.
XII. De Burger-Gecommitteerdens, of wel eene andere byzondere Commissie, naar dat men zulks best zal oordeelen, overeenkomstig de byzondere inrichting van iedere plaats, zullen gemachtigd worden ter onderzoek van alles, wat de belangen, de onderhouding en de aanmoediging van den Koophandel, en de Manufactuuren betreft; insgelyks het recht hebbende, en verpligt zullende zyn, om alle de ontwerpen, hier
toe betreklyk, te onderzoeken, die voortestellen en te ondersteunen by de Regeering, ingevalle zulks noodig zal bevonden worden.
XIII. 't Zal ook goed, nuttig en heilzaam zyn, dat alle de Leden van zoodanig een Collegie van Burger-Gecommitteerden niet op eenmaal veranderen, maar dat ter invoering en onderhouding van een geest van orde, zo wel als van de noodwendige kundigheden, zy gedeeltelyk, het zy met een vierde, een derde, of de helft, 's jaarlijks zullen afgaan, volgens de gelegenheden van tyden en plaatsen.
XV. Vermits men, in het tegenwoordig stelzel van Europa, den krygsgeest niet te veel kan inboezemen, en ook alle Classen van Ingezetenen in de Burger-Corpsen worden toegelaaten, zoo behooren overal de benoemers tot Regeeringsampten uit den boezem der gezegde Corpsen voorttekomen, uitgezonderd in die plaatzen, waar de Gilden in het daadlyk bezit van dat recht zijn.
XIX. Daar het ongetwijffeld het belang van den Staat is, zich, met de minstmooglyke kosten, in een goeden staat van tegenweer te bevinden, en het niet minder het belang der Burgerlyke Vryheid is, deeze Verdeediging in haar zelve, onafhanglyk van anderen, te bezitten; zo behoort, uit dien hoofde, en in gevolge de grondwet der Unie van Utrecht, overal het Burgerlyk Krygsweezen aangemoedigd en tot de bereikbaarste volkomenheid gebragt te worden, ten einde, in hachlyke omstandigheden, de Burgerkrygsmagt de Militie van den Staat krachtdaadig kunne ondersteunen tegen buitenlandsche Vyanden, en zich tegen die Militie kunne verzetten, wanneer zy een werktuig wierd in de hand van binnelandsche dwingelanden!
XX. Om dit dubbel oogmerk te bereiken, zal men elk Burger-Corps of wel elk Genootschap, voor zoo verre het geheel, of gedeeltlyk, (naamlyk eenige Leden van het zelve,) niet waare ingelyfd in een Burger Compagnie, even eens, gelyk in de
Staaten van Noord-America in trein gebragt is, in drie Classen verdeelen, door het lot te bepaalen, en waarvan de Leden, ingeval van noodzaaklykheid, verpligt zouden zyn, op hunne beurt volgens de lyst, uittetrekken, het zy in persoon, of wel dat zy een ander in hunne plaats beschikten.
| J. Wagenaar: Vaderlandsche Historie, in het bijzonder de verschillende series vervolgen. |
| H.T. Colenbrander: De Patriottentijd, 's Gravenhage 1897/99. |
| Jan en Annie Romein: De lage landen bij de zee: Een geschiedenis van het Nederlandse volk, 1934; geheel herziene herdruk, Amsterdam, 1973. |
| P. Geyl: De Patriottenbeweging 1780-1787, Amsterdam, 1947. id., Geschiedenis van de Nederlandse stam, deel V (1751-1792), Amsterdam, 1958. |
| R.R. Palmer: The Age of the Democratic Revolution: A Political History of Europe and America, 1760-1800; dl. I, The Challenge, Princeton, 1959; dl. II, The Struggle, Princeton, 1964. |
| C.H.E. de Wit: De strijd tussen aristocratie en democratie in Nederland, 1780-1848, diss. Amsterdam, 1965. |
| A.H. Wertheim-Gijse Weenink: Democratische bewegingen in Gelderland, 1672-1795, diss. Nijmegen, 1973. |
| I.L. Leeb: The Ideological Origins of the Batavian Revolution: History and Politics in the Dutch Republic, 1747-1800, 's Gravenhage, 1973. |
| C.H.E. de Wit: De Nederlandse revolutie van de achttiende eeuw, 1780-1787, Oirsbeek, 1974. |
| Simon Schama: Patriots and Liberators: Revolution in the Netherlands, 1780-1813, New York, 1977. |
| C.H.E. de Wit: Het ontstaan van het moderne Nederland, 1780-1848, en zijn geschiedschrijving,Oirsbeek, 1978. |
| J.W. Schulte Nordholt: Voorbeeld in de verte: De invloed van de Amerikaanse revolutie in Nederland, Baarn, 1979. |
| F.A. van der Kemp: J.D. van der Capellen, Regent en vervolgen, Leyden 1779/1785. |
| Memorie van de Heer van de Marsch, Duinkerken 1791. |
| Mr. de Capellen de Marsch: Mémoires et discours politiques sur la République Batave, Paris 1793. |
| J.A. Sillem: ‘Joan Derk van der Capellen tot den Poll’ in De Gids van 1882, Deel 3 en 4, resp. p. 204 e.v. en p. 401 e.v. |
| A. Loosjes: Een krachtig libel, Haarlem 1886.
id., Nog een en ander over het pamflet Aan het Volk van Nederland, Amsterdam 1891. |
| Th. Bussemaker: ‘J.D. van der Capellen tot den Pol’ in Tijdspiegel, 1891, Deel 3, p. 1 e.v., p. iii e.v., p. 267 e.v. |
| W.W. van der Meulen: ‘Een en ander over Van der Capellen tot den Pol en zijn aanhang’ in Geschiedkundige Opstellen ter eere van H.C. Rogge (z.j.ws. 1901) p. 195 e.v. |
| H.L. Fairchild: Francis Adrian van der Kemp, An autobiography ed. with an historical sketch by Helen L. Fairchild, New York 1903. |
| M. de Jong Hzn.: Joan Derk van der Capellen, Staatkundig levensbeeld uit de wordingstijd van de moderne democratie in Nederland, Groningen/den Haag 1922. (oorspr. Amsterdamse dissertatie 1921).
id., De oudste uitgaven van het pamflet Aan het Volk van Nederland, Den Haag, 1924. |
| Jan Romein, ‘Joan Derk van der Capellen’ in Erflaters van onze beschaving, Amsterdam 1938. Latere uitgave 1956. |
| A.H. Wertheim-Gijse Weenink en W.F. Wertheim: ‘Eertijds was de Pruis in 't land...’ in De Nieuwe Stem, Jg. 18, december 1963, p. 730 e.v. Joan Derk van der Capellen tot den Pol: Aan het Volk van Nederland: Het democratisch manifest (1781), ingeleid door W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Amsterdam, 1966. |
| Brieven van en aan Joan Derck van der Capellen tot den Poll, uitgegeven door Mr. W.H. de Beaufort, Utrecht 1879; Aanhangsel van de brieven door Mr. W.H. de Beaufort uitgegeven, door Mr. J.A. Sillem: nos. 27 en 27b van de Werken van het Historisch Genootschap (met register), Utrecht, resp. 1879 en 1883. |
| Brieven van C.L. van Beyma aan J.D. van der Capellen tot den Pol, medegedeeld door Dr. W.W. van der Meulen in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, Utrecht 1894 (deel 15, p. 257-389). |
| Brieven van J.D. van der Capellen tot den Pol, medegedeeld door Dr. W.W. van der Meulen in Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, Utrecht 1907 (deel 28, p. 103-341). |
| Prof. G.W. Vreede publiceert een brief van 16 october 1783 van J.D. van der Capellen aan Pieter Vreede in Kroniek van het Historisch Genootschap, Utrecht 1870, p. 284. Dit is een van de vier brieven van J.D. van der Capellen aan Pieter Vreede, die in map 1 van de Collectie Vreede op het Alg. Rijksarchief te 's Gravenhage bewaard worden. De brief van 23 october 1783 is hiervóór als Bijlage I opgenomen. De brieven van 2 en 9 mei 1784 zijn afgedrukt in de heruitgave van het pamflet uit 1966, p. 136-142. |
Voor publikaties van J.D. van der Capellen kan worden verwezen naar:
| Chalmot's Biographisch Woordenboek, VI, p. 67-142. |
| Van der Capellen tot den Pol (bibliographische proeve) in Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijsel, Tweede deel, Zwolle 1875, p. 125-150, uitgegeven door Mr. J.I. van Doorninck. |