‘SCHRIJVEN IS VERDOMD MOEILIJK’
WILLEM ELSSCHOT

De bedoelingen van dit boekje worden duidelijk begrensd door de titel. Het wil materiaal bijeenbrengen dat ik voor een deel al publiceerde in kranten en boeken en voor een ander deel ontleende aan hetgeen ik in aantekeningen vastlegde over mijn relatie met Willem Elsschot en zijn werk.
Ik streef dus alleen naar het in één boekje verduurzamen van door mij verzamelde feiten die de - gelukkig zo talrijk geworden - minnaars van Elsschots oeuvre net zo zouden kunnen interesseren als ze mij interesseren. Een analyse van dit oeuvre zal ik niet trachten te geven. Die moet een ander maar schrijven.
De hierbovenstaande regels hebben de omzichtige toon van een inleiding. Maar soms kan een inleiding zinvol zijn. Ik zal u daarvan een in dit geval zeer ter zake dienend voorbeeld geven.
Met het regelmatig publiceren van vaak op verhaaltjes gelijkende korte stukken ben ik begonnen in mijn geboortestad Den Haag. Ik was daar sinds mijn achttiende verbonden aan het dagblad ‘Vooruit’, een kopblad van ‘Het Volk’. (Nu ‘Het Vrije Volk’). Aanvankelijk deed ik er het gewone verslaggeverswerk. Moorden, branden, vergaderingen, rechtbank. Het voor de Haagse editie bestemde ‘cursiefje’ werd geschreven door mijn veel oudere collega Hessel Jongsma. Toen hij in 1936 de krant verliet, kreeg ik de opdracht zijn taak over te nemen. Ik noemde mijn rubriek ‘Kleinigheden’.
De schrijver die mij sinds mijn schooljaren het meest had beïnvloed, was Herman Heijermans. Ik kocht zijn
oude bundels korte stukken (de Falklandjes) regelmatig op de Haagse boekenmarkt die - erg geriefelijk - elke dag werd gehouden op de Prinsegracht, waar ook het redactiebureau van ‘Vooruit’ gevestigd was.
Op die boekenmarkt ontdekte ik het werk van Willem Elsschot die, als ‘beïnvloeder’, Herman Heijermans zou wegvagen. Op een middag vond ik er een boekje dat Een ontgoocheling heette. De naam van de auteur zei me niets. Maar ik nam het in mijn handen omdat er een uitvoerige inleiding in stond van een man, die - net als Du Perron en Ter Braak - wél tot mijn helden van toen behoorde: Jan Greshoff.
Ik begon, staande bij het kraampje, te lezen. Op de derde bladzij haalde Greshoff het gedicht Het huwelijk aan. Het maakte een verpletterende indruk op mij. Ik kocht het boek (vijf en twintig cent), las het diezelfde avond en stelde vast: ‘Dit is volmaakt schrijven.’
Daarna verschafte ik mij alles wat ik van Elsschot te pakken kon krijgen. Ik had mijn literaire vader gevonden. En ik begon hem - jong als ik was - ijverig te imiteren, zoals ik in de schoolkrant met Herman Heijermans had gedaan. Het heeft lang geduurd eer ik me van dit nieuwe epigonisme wist te bevrijden. Vele jaren later schreef W. F. Hermans:
‘Elsschots werk werd, zijns ondanks, de onuitputtelijke inspirator voor literaire grootindustriëlen à la S. Carmiggelt.’
Onwaar was dit verwijt niet, vooral wat mijn eerste stukjes betrof. Mijn ontmoeting met het werk van een
zo superieure stilist heeft daarop sporen nagelaten. Ik schaam me daar niet voor. Alleen genieën zijn, van begin af aan, oorspronkelijk. En ik ben geen genie - dit voor de zonderling die om deze informatie verlegen zat.
Na de oorlog verscheen mijn boekje ‘Honderd dwaasheden’ - een uitgebreide herdruk van mijn eersteling uit 1940. Het had succes bij het publiek en werd welwillend beoordeeld door recensenten. Dat vond ik natuurlijk prettig, maar eigenlijk was ik het meest nieuwsgierig naar de mening van Willem Elsschot, die immers voor mijn schrijverij zoveel betekende. Maar ik dorst het hem niet te zenden, omdat bewondering en schroom hand in hand plegen te gaan. Een goede vriend van mij woonde in Amsterdam, maar werkte in Antwerpen. Toen ik hem eens deelgenoot maakte van mijn verlangen nam hij op zich, als bemiddelaar, een bezoek bij Willem Elsschot te organiseren.
Die eerste persoonlijke kennismaking - in maart 1948 - herinner ik mij nog zeer levendig. We belden des ochtends op het afgesproken tijdstip aan bij het huis in de Lemméstraat, vlak bij de Van Schoonbekestraat, die mij bekend voorkwam omdat Van Schoonbeke de naam is die Elsschot gaf aan een figuur in Kaas. De vrouw die ons opendeed leidde ons naar een voorkamer waar we plaats namen op de tegen de muur geschoven stoelen die ze ons aanwees.
Na een poosje kwam Willem Elsschot het vertrek binnen. Hij was kleiner van gestalte dan ik - overigens zonder de geringste reden - had verwacht. Na de be-
groeting gaf ik hem het boekje. Hij beloofde het te zullen lezen en beoordelen. Daarop ging hij zitten op een der tegen de andere muur geschoven stoelen. Er was dus een aanzienlijke afstand tussen ons, die elke intimiteit aan het samenzijn ontnam. Bovendien had ik de indruk dat hij onze visite bij nader inzien betreurde. Maar we waren er nu eenmaal.
Ik begon dus dapper een gesprek en vroeg waarom Een ontgoocheling niet was herdrukt. Met de gelaatsuitdrukking van iemand die voor het eerst met een kwestie wordt geconfronteerd antwoordde hij:
‘Ja, dat kunt u eigenlijk beter aan de uitgever vragen, want die doet dat, ziet u?’
En na een korte pauze:
‘Misschien is het boekje niet in de smaak gevallen.’
Hij glimlachte daarbij met lichte zelfspot. Ik vroeg hem of we hem ophielden en hij zei dat het niet het geval was, al had hij nog wat werk te doen. Hij doelde daarmee op zijn bemoeienissen met de reclame en voegde er op een toon vol afkeer aan toe:
‘Ik houd niet van dat werk, meneer. Daarom heb ik Kaas geschreven. Het gaat eigenlijk over mijn publiciteitsbranche, maar ik heb er een kaaszaak van gemaakt, daar het nog weerzinwekkender is. Je gaat er naar ruiken...’
Enige novellen van hem waren toen al in het Duits en in het Tsjechisch verschenen, maar hij verklaarde, toen het gesprek daarop kwam, niet te geloven in de vertaalbaarheid van zijn werk.
‘Voor zover ik het zelf lezen kan, vind ik het slecht. De stijl verdwijnt, het verhaaltje blijft over en dat is te weinig. Ik heb zelf Lijmen in het Frans vertaald. Opnieuw geschreven dus, met andere beelden. Ik wilde het in Parijs doen uitgeven, omdat een Frans werk dat in België verschijnt voor de rest van de Franse wereld niet bestaat. Maar de uitgever schreef me dat hij het slechts zou doen, als ik het omwerkte - ik weet niet precies wat die man wilde...’
Hij keek mij hoofdschuddend aan.
‘Ik heb er natuurlijk geen letter in veranderd,’ zei hij.
Daarop viel er weer een lange stilte. Ik vond het hoog tijd worden hem van ons gezelschap te verlossen en stond op. Ook Elsschot verrees. Bij de deur van de kamer gekomen zei hij echter opeens, bijna verlegen:
‘Ik heb onlangs nog een vers geschreven. Wilt u het horen?’
‘Graag,’ antwoordde ik.
Terwijl we daar vreemd bij de deur tegenover elkaar stonden reciteerde hij zijn vers over de in 1945 wegens collaboratie terechtgestelde Vlaamse nationalist August Borms. Hij deed het simpel, met een zachte, telkens door ontroering verstikte stem. Toen hij de laatste regels had uitgesproken keek hij me aan met de ogen vol tranen. Hij zei:
‘Men heeft mij verzekerd dat ik, als ik dit vers publiceer, in Nederland onmogelijk zal zijn. Wat is uw oordeel?’
‘Het is een mooi vers,’ antwoordde ik. ‘U moet het dus publiceren.’
Even later liep ik weer buiten met het vreemde gevoel dat hij de rollen had omgedraaid.