terug  begin  verderprepost
[p. 38]

Opstellen

Op een dag werd ik opgebeld door een kordaat klinkende mevrouw. Ze vroeg of ik voor haar op de middelbare school zittende zoon, die niet zo vlot is met de pen - meer een wiskunde-kind - een opstel wilde schrijven. Ik heb ‘nee’ gezegd. Onaardig, natuurlijk, maar ze belde op een uiterst ongelukkig moment, want ik had net een belangwekkend verhaal gehoord van Walter de Ridder, dat zonneklaar bewees hoe voorzichtig je met dit soort dingen moet zijn.

Hij is de in Antwerpen wonende zoon van Willem Elsschot. Gedurende de eerste wereldoorlog zat hij op de middelbare school. Op een dag kreeg zijn klas van de leraar Nederlands, opdracht een ‘vrij opstel’ te maken. Hij koos het onderwerp ‘Familiepension’ en schreef dertien pagina's woordelijk over uit Villa des Roses, het meesterwerk van zijn vader, dat in 1910 verschenen was en, vooral in België, geheel onopgemerkt bleef. De leraar had Villa des Roses niet gelezen, anders zou hij het bedrog hebben gesignaleerd. Hij gaf Walters ‘Familiepension’ het cijfer vijf. De tien ging naar een Brosens genaamde jongen die altijd in alle vakken de beste was. Zijn opstel werd in de klas voorgelezen. Ik heb het niet gehoord. Toch waag ik het te zeggen, dat het onmogelijk tweemaal zo goed geweest kan zijn, als dertien bladzijden uit Villa des Roses, anders stonden de verzamelde werken van de heer Brosens nu stukgelezen in mijn boekenkast.

Het dus tot voorzichtigheid manende verhaal gaat nog verder. Toen Willem Elsschot al oud was en zijn for-

[p. 39]

midabel oeuvre met ‘Het dwaallicht’ had afgesloten (’Schrijven interesseert me niet meer,’ zei hij toen eens tegen mij) kwam een zijner kleinzonen, die óók de middelbare school bezocht, bij hem, met een verzoek. Hij moest een opstel maken over de winter. Maar... En of opa het even wilde doen.

En opa dééd het. Waarschijnlijk met tegenzin, want Elsschot was iemand, die ‘bij vlagen’ schreef en, na een literaire bevalling, lange tijd geen pen meer wilde aanraken. Een fotokopie van het voor zijn kleinzoon vervaardigde opstel ligt voor me. ‘De winter’. Het is kort, bondig, en stellig niet op Elsschots niveau.

Maar toch gaat het me wat ver, dat de jongen er het cijfer één voor kreeg, met als motivering: ‘Taal hopeloos verouderd. Onwaardig voor een leerling van de derde wetenschappelijke.’

Toch gaf de knaap, na deze bittere ervaring, de strijd niet op. Hij scoorde, een tijd later, een vijfje, met een opstel over de achtergronden van Elsschots roman Kaas, dat hij óók door opa had laten schrijven.

Hier is het:

‘Elsschot heeft die kaashistorie persoonlijk niet meegemaakt. Hij heeft nooit getracht kaas aan de man te brengen, maar wel zijn leven lang in publiciteit gedaan. En om zijn wrok, zijn bittere haat tegenover die publiciteit uit te drukken, heeft hij kaas genomen. Elsschot vond het begrip publiciteit te abstract om over te schrijven. Maar kaas, die in de vorm van ons allen bekende bollen die men grijpen kan, die stinken en tégenstinken

[p. 40]

is tenminste concreet. Die zou zijn walg voor de handel in het algemeen oneindig veel aanschouwelijker maken, dan hij dat ooit met het begrip reclame had kunnen doen. Men kan zich bezwaarlijk een film over publiciteit voorstellen, maar wel een film met duizenden rode Edammer kazen, met een pyramide van kaasbollen die u, van in het begin, het voorgevoel geeft dat zij zal instorten en Laarmans verpletteren. Waar hij als inleiding de personages opsomt, die slechts een bijkomstige rol spelen, dan doet hij dat bij wijze van contrast, met de geweldige Kaasmacht, die hij ons doet aanvoelen, door een eskadron van zelfstandige naamwoorden, die allen uit kaas gevormd zijn. Deze inleidende bladzij kan door de lezer slechts begrepen worden, nadat hij het boek tot de laatste zin gelezen heeft, dan pas kan hij aanvoelen dat de moeder, de vrouw, de broeder, als het ware slechts schimmen zijn en dat alleen het Kaasmonster over zijn lot beschikt heeft. Het heeft hem verpletterd tot hij in een wanhopige poging tot opstandigheid erin geslaagd is, zich te bevrijden van die Kaastyrannie en zichzelf terug te vinden.’

Aldus Willem Elsschot, via zijn kleinzoon.

prepostterug  begin  verder