Willem Elsschot overleed - achtenzeventig jaar oud - op dinsdag 31 mei 1960 te Antwerpen.
Ik had hem de zondagmiddag tevoren nog gesproken. Want in de laatste jaren ging ik, telkens als ik in België kwam, even naar hem toe.
Wie hem persoonlijk heeft gekend weet dat vlak achter zijn gereserveerde ironie een enorme emotionaliteit woedde en een sentiment dat hem tot tranen toe bewegen kon wanneer hij zoals ik bij onze eerste ontmoeting al bemerkte - zijn eigen werk voorlas. Deze elementen vindt men in zijn stijl terug. Hij bedwingt zich vrijwel voortdurend, maar zijn statig sarcasme is in wezen geladen met een onnoemelijke agressiviteit die er, in een enkel scheldvers, wel eens uitgekomen is maar die gewoonlijk bij het schrijven net zo keen in de gaten werd gehouden als dat sentiment. Niet ten onrechte bestaat in zijn meesterwerk Villa des Roses het vijfde hoofdstuk, dat Louise beschrijft, uit welgeteld tweeënvijftig voorzichtige woorden. Hier moest zonder voorbehoud worden bemind. De gefrustreerde romanticus met zijn eeuwig kwellende behoefte aan perfectie, zou wel gewild hebben. Maar de waakzame schrijver van het geserreerde woord waagde zich niet op deze zomerwei vol landmijnen. De bitterheid, die hem steeds weer terugriep tot de verheven slavernij van zijn genadeloze waarheidsliefde, was de essentie van zijn schrijverschap. Wie Tsjip leest weet waar hij even uit die ijzeren greep ontvluchtte om zich te bezondigen aan een overgave die men hem meer gunde als mens dan als lezer.
Want juist in het despotisch bewind dat Elsschot voerde over zijn gevoel, lag zijn geweldige kracht. Meer ontspanning dan de grimmige lach, ook ten aanzien van dingen die hem het meest dierbaar waren, heeft hij zichzelf als kunstenaar nooit gegund. Hij schreef met vaste hand en van alles wat in hem woelde mocht alleen het toonbare door het tourniquet. Het wild gedrang daarachter heeft, geloof ik, aan zijn stijl de vaak verbluffende geladenheid gegeven die, op zijn beste bladzijden, elke volzin de beeldende kracht schenkt van voldragen poëzie.
Veel grote schrijvers worden tijdens hun leven verguisd. Naar menselijke berekening komt hun roem te laat. Maar hij heeft ten volle beleefd, dat hij zijn hoge plaats kreeg. Toen hij zijn eerste boeken schreef, had hij de literaire mode van zijn tijd tegen. Maar de Forum-generatie zag de waarde van zijn met een melancholieke glimlach geschreven proza. Toen bij gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag, zijn verzameld werk in een dundruk-editie verscheen, was zijn faam reeds buiten de betrekkelijk kleine vrijmetselarij der verstokte Elsschottianen getreden en doorgedrongen tot een groter lezerspubliek, dat hem geestdriftig inhaalde. Het boek beleefde druk op druk en dat moet hem, in de laatste jaren van zijn leven, plezier hebben gedaan.
Ik heb, wat dat betreft, een sterke herinnering bewaard aan de avond in Rotterdam toen hij, na de pauze had voorgelezen en het publiek in de volle zaal van de Bijenkorf hem een minutenlange ovatie bracht.
Nog zie ik hem op dat toneel staan. Hij boog niet voor het applaus, maar liet het als een storm op zich afkomen. En toen het maar áánhield, gleed er een wat verbaasd, maar toch verheugd lachje over zijn sceptisch gezicht, dat hem verjongde. Zoals hij daar een beetje weerbarstig, wijdbeens op die geestdriftige schare stond neer te kijken, leek hij plotseling op een foto uit zijn studententijd waar hij, met een vreemde pet op en een pint in de hand, naast een woeste makker tegen een hekje leunt.
‘Zo'n avond heeft mijn stad Antwerpen mij nooit gegeven,’ zei hij na afloop, bitter en voldaan tegelijk.
Toen ik die zondagmiddag voor zijn dood bij hem aanbelde, deed hij zelf open.
Ik had mijn komst niet aangekondigd en een beetje onthutst stond hij, in de donkere hal, tegenover me.
‘Ik kan u niet onderhouden,’ zei hij. ‘Ik moet naar bed om te gaan rusten. Want ik kom net uit het ziekenhuis, waar ik een operatie heb ondergaan.’
‘Ik kom alleen maar even gedag zeggen,’ antwoordde ik.
Hij zag er doodmoe uit.
Maar toen hij mijn hand schudde, ten afscheid, bleek zijn spot toch ongebroken want met een ironisch lachje zei hij tegen me: ‘Wel, zeg maar tegen de vrinden, dat ik honderd word. Dat schijnt wel onmogelijk, maar eh - geef ze moed, he.’
Dit waren de laatste woorden die ik hem hoorde zeggen. Maar twee dagen nadat de kranten zijn overlijden
hadden gemeld, bracht de post mij nog een brief van hem, die hij op 30 mei geschreven had.
‘Waarde vriend. Ik ontving zondag omstreeks drie uur het bezoek van een vriendelijke Hollander, die van een reis naar België profiteerde om mij een bezoek te brengen en naar de staat van mijn gezondheid te informeren. Ik was daags tevoren uit het gasthuis ontslagen waar ik mij had moeten onderwerpen aan een operatie en stond juist gereed om een paar uurtjes te gaan maffen. Het is dus aanvaardbaar dat ik niet in goede conditie was om een conventionele conversatie te beginnen, versuft als ik daar stond. Mijn bezoeker, die een man van de wereld bleek te zijn, had spoedig gemerkt waar ik aan toe was en nam afscheid na een paar aanmoedigende woorden. En ik naar bed. Toen ik wakker werd stond mijn Hollander mij op te wachten, niet in levenden lijve maar minstens even duidelijk. Hij keek mij aan met een innemende glimlach, als nodigde hij mij uit iets te zeggen. Verlamd staarde ik hem aan, terwijl een zachte stem uit mijn onderbewustzijn hardnekkig fluisterde: ‘Maar het is een vriend, een vriend...’ En opeens wist ik het. Carmiggelt. En ik stak hem in vervoering mijn beide handen toe, maar hij was er niet meer. Mijn eerste werk, toen ik beneden kwam, was mijn vrouw te roepen om haar te vertellen dat die vriendelijke, innemende bezoeker van een paar uren terug niemand anders was dan Carmiggelt. Er volgde stilte, want ons beider verslagenheid was groot. Waarde vriend, ik had je niet herkend.
Is het niet om mijn haren uit te trekken? Maar zand erover. Ik hoop maar dat ik spoedig een kans krijg om dat royaal goed te maken. Als het gasthuis mij nu tenminste een tijd met vrede laat.’