terug  begin  prepost
[p. 46]

De nalatenschap

In Antwerpen waren we een paar dagen bij Walter de Ridder en zijn Jeanne. Zijn Jeanne is verreweg de charmantste gastvrouw van West-Europa - een beperking die ik mij zelf alleen opleg, omdat ik Oost-Europa zo slecht ken. En Walter, Willem Elsschots oudste zoon, is een volkomen in deze mollige stad thuishorende raconteur, met de aangenaamste levensgewoonten. Misschien zou Sacha Guitry, in zijn beste tijd, hem hebben kunnen spelen, maar dan toch niet zó goed. In zijn, wat de sfeer betreft, erg op het ouderlijk huis in de Lemméstraat lijkende woning, waarvan de wanden schuil gaan achter mooie schilderijen, waaronder een eventuele Renoir en een stellige Vaes, hebben wij, aan een onder gastvrijheid schier dóórbuigende tafel, veel gepraat en veel gelachen in een onbekommerde atmosfeer, die hoort bij deze stad. Want wie een Antwerpenaar op straat staande houdt en vraagt: ‘Calvijn?’ krijgt nooit ten antwoord: ‘Ja, die ken ik.’ En dat is een machtig voordeel.

Walter de Ridder weet vele kostelijke verhalen te vertellen over zijn vader. Nu kan men een mens en stellig een gecompliceerde mens, die een kunstenaar nu eenmaal is, nooit opbouwen uit de anekdoten die over hem de ronde doen. Maar verhelderend zijn ze toch wel.

Aan wat Greshoff in een vers ‘der Vlamen heil'ge taalstrijd’ noemde nam Willem Elsschot zijn leven lang deel. Hij zat eens met Walter in een Belgische trein en las in ‘Le Journal’. De conducteur kwam, keek naar de krant, en vroeg hem in het Frans om zijn kaartje.

[p. 47]

Elsschot verroerde zich niet. De conducteur herhaalde het zinnetje wat luider. Elsschot keek uit ‘Le Journal’ op en zei:

‘Ik kan u niet verstaan.’

Bekend is dat hij in zijn levensstijl niets weg had van de letterkundige, die schrijverscongressen bezoekt en over literatuur correspondeert met vakgenoten. Ook de torenhoge bibliotheek die bij dit type past, ontbrak in zijn huis. Hij bezat slechts twee boeken - de bijbel en een dundrukeditie van Shakespeare. Ook zijn eigen werken zou men in de Lemméstraat vergeefs zoeken. Walter had ze en leverde ze op, als zijn vader er eens ergens uit voorlezen moest. De boeken die Elsschot las gingen, als hij ze uit had, ook naar zijn zoon. Ik vond in diens bibliotheek een bundel van mij zelf, die ik Elsschot eens had gegeven om zijn oordeel te vernemen. Inderdaad schreef hij me er een brief over die mij, door de citaten uit ver uiteenliggende bladzijden, de overtuiging schonk dat hij het wel degelijk gelezen had.

 

Het boek bij Walter de Ridder terug te zien, was een treffende ervaring. Op de vier witte bladzijden aan het slot had Elsschot namelijk een lange lijst woorden opgeschreven, die hem bij het lezen hadden gefrappeerd, omdat hij ze niet kende. Ik citeer: ‘Spijbelen. Koddebeier. Hufter. Tengels. Ginnegappen. Sjoelbakken. Jennen. Lik op stuk.’ En zo voort - vier bladzijden lang.

Ik vermeld dit, aangezien men zich bij het praten met Walter de Ridder over zijn vader, bewust wordt van

[p. 48]

het wonderlijke feit dat Elsschot, wiens kracht als schrijver toch lag in zijn verpletterend trefzeker gebruik van het Nederlands, zijn leven lang Antwerps heeft gesproken, een zeer beeldende taal, die echter wemelt van woorden die wij in het noorden niet kennen of anders gebruiken.

 

‘Ik heb altijd getracht zuiver Nederlands te schrijven, zei Elsschot jaren geleden eens tegen mij.

Wat mij toen, in de schaduw van zo'n oeuvre als een bijna komisch understatement in de oren klonk, heb ik nu, bij het doornemen van die lijst achter in mijn bundel, beter begrepen. Lezend, vroeg hij zich bij ieder woord dat hij niet kende af: ‘Wat betekent dat?’

Wat betekent ’spijbelen’? In Antwerpen heet dat ‘fatsen’. Wat betekent ‘koddebeier’? In Antwerpen heet zo'n man een ’garde-chasse’.

Deze, op een woord doodvallende taalkundige grondigheid stelde hem in staat te schrijven zoals hij schreef. Of beter: zoals hij alleen schrijven kon. Zijn eerste boek Villa des Roses schreef hij in Rotterdam, in samenwerking met zijn jeugdvriendin, mejuffrouw Van der Tak, aan wie het is opgedragen. Deze Rotterdamse kantoorbediende nam 's avonds de bladzijden die hij geschreven had met hem door en zei zo nu en dan: ‘Nee, dat zeggen we hier anders.’ En dan werd de zin gewijzigd. Ik noteer het omdat het zo geheimzinnig is, dat op deze wijze een meesterlijke roman tot stand kon komen, die de indruk maakt tot in elke komma rijpelijk te zijn overwogen.

[p. 49]

In een van de gesprekken die ik met Elsschot over zijn werk had, bleek mij dat hij, vóór Het dwaallicht, zijn laatst gepubliceerde novelle, aan een nieuw boek begon dat hij echter niet voltooide. Het had de vorm van een brief aan Walter, net als De leeuwentemmer. Curieus is overigens dat het eerste hoofdstuk van De leeuwentemmer niet werd gebaseerd op een gesprek met zijn kleinzoon Tsjip. De brief is veel ouder en gaat over Walters jongste broer. Vele jaren later toen die broer al een volwassen man was en een familierëunie bezocht las Walter de brief, die hij bewaard had, voor de grap voor. Willem Elsschot zei:

‘Geef 'm mij eens mee’ en verwerkte de beschrijving van het gesprek met het kind in De leeuwentemmer. Hij sloeg dus eigenlijk een generatie over.

Ook dat nooit voltooide boek had Elsschot - zo vertelde hij mij - geschreven in de vorm van een brief aan zijn zoon. Die bevindt zich, zo wil het verhaal, kort voor de tweede wereldoorlog in Zwitserland en wil naar België komen om zijn dienstplicht te vervullen. De vader schrijft hem dat hij vooral wegblijven moet. Laat ze maar vechten. Het gaat je niet aan. Het kost je alleen maar je huid.

‘'t Is heel venijnig geschreven,’ zei Elsschot. ‘Maar ik heb het niet afgekregen.’

Om zijn venijnigheid te staven, haalt hij Celines Reis naar het eind van de nacht aan.

‘Hoe kwam die man in de oorlog? Hij liep met een pint op, achter de muziek aan. Zo gáát het immers?’

[p. 50]

Via de pint kwamen wij op zijn stamcafé. Hij vertelde me waar het was en zei lyrisch over het bier, dat ze er schenken: ‘O man, als ik dáár aan ga...’ Ik vroeg hem wat hem verder nog in dat café aantrok en hij legde me uit dat het werd gefrequenteerd door veel maatschappelijk uitgestoten mensen.

‘Er tegenover is een warenhuis en de bedienden komen er wel hun brood opeten. Dan krijgen ze een bord en een mes, zonder dat daarvoor iets berekend wordt.’

Ik heb het café na zijn dood, met Walter bezocht. Toen ik het nooit voltooide boek ter sprake bracht zei hij:

‘Het ligt in mijn brandkast. Gij moogt het lezen.’

Ik vond het een grote eer.

Het nagelaten werk bleek te bestaan uit een voltooid eerste hoofdstuk, van zowat zeventienhonderd woorden, en de aanhef van het tweede, tweehonderd vijfentwintig woorden groot. Het is waarschijnlijk in 1939 geschreven en staat geheel op Elsschot's peil. Niet alleen zijn formidabele stijl, maar ook zijn karakteristieke problematiek vindt men erin terug. Het was, meen ik, Louis Paul Boon die eens schreef: ‘Hij bemint als een moeder en stelt vast als een deurwaarder.’ Ook in dit eerste hoofdstuk bekijkt hij de bereddering van de mobilisatie met de koele reserve van de scepticus, die in alles zwendel onderkent, maar die weerloos wordt, als hij stuit op belangeloze eerlijkheid.

Hij schrijft: ‘Gisteren ontmoette ik in de stad je gewezen wapenbroeder Albert van Zundert, die mij op een

[p. 51]

prachtmotor in uniform tegemoet tufte. Met slobkousen tot aan zijn knieën, stofbril en zware revolver zag hij er verduveld krijgshaftig uit, zodat hij mij makkelijk imponeerde.’ Maar desgevraagd, blijkt de man zich van een ongevaarlijk baantje, ver van de loopgraven te hebben verzekerd. Wel beweert hij de vijand zo nodig op die motor tegemoet te zullen snellen. ‘En toch dacht hij, geloof ik, aan de andere richting waarbij het luidruchtige ding nog meer diensten bewijzen kon.’

Maar tegenover deze linke jongen, die hij doorziet en die koren op de molen van de scepticus draagt, stelt Elsschot onmiddellijk een ander. Hij vervolgt: ‘Ik heb ook bezoek gehad van je oude vriend Karel Butaye van Roesbrugge die wel degelijk aan onze oostergrens, in de buurt van Lanaken in een loopgraaf zit. Hij vond zijn verlof ditmaal te kort om van Lanaken naar zijn afgelegen uithoek in West-Vlaanderen te reizen en had eenvoudig besloten een dagje bij ons te komen doorbrengen om eens lekker in een bed te slapen en met mij een paar flessen wijn en enkele flinke borrels te verwerken. Karel is nergens attaché en had geen slobkousen aan, maar zag er uit als een soldaat die uit een koolmijn komt. Je verblijf in het buitenland was hem onbekend en hij deed of het hem vreselijk speet, dat je niet thuis was, maar niet zodra stond de kruik Bols op tafel, of alles was in orde. Ik heb de grootste moeite gehad, hem een bad te doen nemen, want als buitenjongen scheen hij dat niet gewoon te zijn en hij heeft er slechts in toegestemd om mij een genoegen te doen. Een paar sokken daarentegen

[p. 52]

nam hij geestdriftig aan. Hij zou het ginder in zijn loopgraaf nogal kunnen stellen, want iemand als hij klaagt niet licht, was het niet dat hij voortdurend aan zijn duiven denkt, die volgens hem thuis door niemand verzorgd kunnen worden, zoals het hoort. Toen onze kruik half was, heeft hij bereidwillig voor mij zijn lijfstuk gezongen: “Gij zijt maar een meid die men vergeet. Speelbal voor 't moment van plezier“. Hij gelooft niet dat het oorlog wordt, maar verwacht iedere dag het heerlijk bevel: “Allen weer naar huis.” Ik heb de moed niet gehad hem in zijn geloof te schokken, maar heb toch even gevraagd wat hij doen zou, indien de Duitsers nu eens werkelijk over de grens zouden komen. “Schieten, godverdomme,“ verklaarde hij gedecideerd. En ik geloof dat hij het doen zou, want die doodbrave kerel is tevens een primitieve woesteling. Van ons landje sprak hij met dezelfde warmte als van zijn duivenhok.’

U ziet hoe innig Elsschot in wezen de tweede jongen, die een streep haalt door de ‘alles is zwendel’ theorie, is toegedaan. Maar hij pantsert zijn gevoelens onmiddellijk weer als hij gaat mediteren over de vraag, wat er gedaan moet worden als heel het volk pal staat. ‘Maar de anderen staan ook pal.’ schrijft hij. ‘De Duitsers niet het minst. Zo pal, dat ze eindelijk vanzelf aan de slag geraken, al was het maar om aan die stijve houding een eind te maken.’

Wat moet een zinnig mens in zo'n verwarrende situatie doen? Elsschot zegt: ‘Er zijn mensen die bereid zijn op bevel te sterven, zoals een hond op bevel in het water

[p. 53]

springt en anderen die liever toekijken, mensen die werkelijk sneuvelen en anderen die de hand gaan drukken aan de nabestaanden.’

Alleen hij kon zo'n volzin schrijven, schoon en naakt als de waarheid.

Illustratief voor zijn vernietigende ironie is ten slotte deze passage: ‘Men moet natuurlijk niet toekijken met een vrolijk gezicht, dat spreekt vanzelf, maar met gefronste wenkbrauwen en een uitdrukking van verbetenheid, toekijken als een minister, als een die voortdurend denkt: “wacht maar, smeerlappen,” maar toch buiten het veld blijft dat door het geschut bestreken wordt. Tijdig meeroepen leve deze en weg met die, maar niet al te luid, want zelfs onder het toekijken is het raadzaam, de aandacht niet te trekken, anders gaat men denken dat je tot grote dingen in staat bent en ook dat kan gevaarlijk zijn. De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij.’

prepostterug  begin