Als de wereld begrijpelijk was, zou er geen kunst bestaan.
Albert Camus
Toen ik nog een kind was gingen wij op zondagochtend meestal op bezoek bij oom Frits en tante Anna, die in de buurt woonden. Oom Frits was een broer van mijn moeder, een rijzige, blonde man met lichtgrijze ogen en een snerpende stem. Ik was een beetje bang voor hem. Toch vond ik de visites wel leuk, want je kreeg een dikke plak, door tante Anna zelf gebakken, vruchtencake, en als oom niet de pest in had liet hij de pianola spelen. De pianola was toen een modesnufje, dat eruitzag als een gewoon klavier. Maar het leek op een leesboek voor analfabeten. Oom kon niet spelen, maar als hij er een geperforeerde rol in stopte en op een knop drukte, gaf het instrument geheel zelfstandig een solo, waarbij de desbetreffende toetsen accuraat bewogen. Je ziet het nog wel eens in een spookfilm, zo'n piano die des nachts vanzelf gaat spelen in een door violet maanlicht vaag beschenen kasteel. Nú is het een griezeleffect, maar in mijn kindertijd zouden de mensen gewoon hebben gedacht: ‘O, een pianola.’
Mijn tante Anna was erg mooi. Ze had hele grote ogen en hoog opgestapeld haar dat, volgens ingewijden, als een tent om haar rank lichaam hing als ze het losmaakte. Een madonna was ze, zwijgzaam en duldend. Op een kwade dag kwam mijn moeder erachter dat haar broer zondige relaties onderhield met een andere vrouw, die een zeer aardse gestalte had. Tegenwoordig behoort een minnares tot het gewone levensmiddelenpakket van de modale werknemer, maar in die dagen werd nog vrij algemeen aangenomen dat er een moraal bestond. Mijn
moeder vroeg derhalve tante Anna op de thee en lichtte haar in.
‘Accepteer jij dat?’ vroeg ze vlammend.
Eigenlijk was het vrouwtje dat wel van plan. Maar mijn moeder zette haar actie tegen haar broer en ‘die slet’ zo krachtig voort dat tante Anna geen uitweg meer zag en - zij het ongeïnspireerd - haar karbiesje pakte en met haar twee kinderen naar haar ouders vluchtte, onder achterlating van een handschrijven waarin stond dat ze het niet accepteerde. De volgende ochtend haalde oom Frits zijn gezin al terug.
‘Zo'n leeg huis is niks voor mij,’ zei hij, ‘daar ben ik te fijn voor gebouwd.’
Vervolgens schreef hij een brief aan mijn moeder waarin hij haar ‘een adder’ noemde. Nu blijft je moeder altijd je moeder, vind ik. Maar als ik mezelf verdamp tot de toonloze matheid van de historicus, moet ik toch toegeven dat ik de brief wel begrijpen kan. Mijn moeder niet. Zij verklaarde oom Frits de totale oorlog. Met de pianola was het dus afgelopen. Maar de brouille bracht nog een andere consequentie met zich mee.
Eéns in de week, op zaterdagmiddag om twee uur, placht oom Frits zijn moeder te komen bezoeken en die woonde bij ons in, op de eerste verdieping, boven de winkel. Met die visites ging hij door, maar gemakkelijk waren ze niet.
Mijn moeder zorgde ervoor op zaterdagmiddag, om twee uur precies, met over de borst gekruiste armen achter haar toonbank te staan. Om haar mond speelde dan een uitdagend lachje. De trap naar boven kon oom alleen bereiken via de winkel. Hij trad binnen en veinsde mijn moeder niet te zien. Daar hij, net als zij, een niet
weg te cijferen karakter had, liep hij langzaam en ostentatief opgeruimd aan haar voorbij, onder het fluiten van een melodie uit de opera Carmen. Pas als hij de trap had bereikt hield het fluiten op, omdat het dan niet langer functioneel was. Enige jaren hield deze ruzie stand. Toen kreeg het zoontje van oom Frits de kinkhoest. De dokter schreef het ventje een verblijf in Gelderland voor, omdat hij heil zag in de daar toen nog opsnuifbare reine lucht. Oom Frits schreef een brief aan de zuster van mijn vader, die in Gelderland woonde, en vroeg of zijn kind bij haar mocht logeren. Na overleg met mijn moeder antwoordde zij dat het jongetje alleen mocht komen als oom eerst vergiffenis ging vragen voor het woord ‘adder’. Dat heeft hij toen gedaan. Griekse tragedies hebben soms een spruitjeslucht.
Na de triomf van mijn moeder waren we weer goed met oom Frits.
Maar het duurde niet lang.
Toen hij bij ons op visite kwam, vertelde hij, om ook iets lustigs aan de conversatie bij te dragen, over een snaakse, alleen wonende vriend van hem die een advertentie had geplaatst voor een huishoudster. Elke aantrekkelijke vrouw die reflecteerde, dwong hij zijn bed in. Daarna zette hij haar weer op straat. Oom lachte hartelijk, maar mijn moeder zei: ‘Dat is niet leuk. Dat is schofterig.’
‘O ja? Nou, ik vind het wél leuk,’ zei hij met wrange mond. Maar de ruzie bloeide weer op en oom verliet, nu voor eeuwig, het huis.
Hem heb ik nooit gemist.
Maar de pianola wel.