We hadden de auto wel tot de rand toe volgeladen, toen we aan het eind van de middag de provinciestad binnenreden - twee grootouders, twee ouders en vijf kinderen. Een trits generaties, dicht op elkaar gepakt en ingeblikt. Het gaf een gezellig gevoel van saamhorigheid.
‘Hebben jullie honger?’ vroeg ik.
Het was een provocatie met voorspelbare afloop. De jongetjes riepen meteen in koor geestdriftig: ‘Jaaaa!’
En onze Koreaanse kleindochter Mi Ae voegde er aan toe: ‘De Sienéés.’
En ze maakte meteen met haar vingertjes haar ogen wat schuiner, want dat doet ze, in dit verband, altijd.
‘Er is, ook hier, stellig een Chinees restaurant,’ zei ik.
En we gingen op zoek. Want een Chinese maaltijd is voor kleine kinderen ideaal. Een gewoon diner vinden ze niet leuk. Ze doorstaan het, omdat ze weten dat het einde ijs zal zijn, zoals ouderwetse gelovigen het aardse leven gelaten uitzitten met de hemel in het verschiet.
Maar Chinees eten vinden kinderen van begin tot einde hemels, omdat de overvloed van schaaltjes iets weg heeft van Luilekkerland. En kroepoek lijkt op eetbaar vuurwerk - je ziet het, roept ‘Aaaah’ en dan is het alweer weg.
‘Hier is een Chinees,’ zei ik.
't Was een kleine, in een zijstraat. Maar ruimte genoeg voor ons, zagen we door het raam. We gingen naar binnen, niet geruisloos. Chinezen kunnen echter veel verdragen van kinderen, omdat ze er meestal zelf zo'n
hoop hebben. Toen we aan de lange tafel zaten, riepen de jongetjes: ‘En veel kroepoek.’
‘En veel sate.’
De kelner kwam. Over het algemeen lachen Chinezen zó onophoudelijk, dat je wel eens de aanvechting krijgt te vragen; ‘Wat is er eigenlijk zo leuk?’
Maar de kelner lachte niet. Hij was nog jong en - voor een Chinees - ongewoon lang. Zijn smal, wit gelaat vertoonde een uitdrukking van zwaarmoedigheid die je wel op jeugdfoto's van aan het leven lijdende kunstenaars ziet. Toen ik aan het bestellen ging bleek hij de Nederlandse taal zó te verbroddelen, dat de jongetjes zinnen tegen hem begonnen te roepen als: ‘Iekke wielle koolla.’
Niet om hem kwaadwillig na te bauwen. Maar uit behoefte aan een soort behulpzame mimicri. De kelner aanvaardde het somber en zonder een spier van zijn wit gelaat te vertrekken. Was hij, op de meer dan zevenhonderdvijftig miljoen lachende Chinezen die deze wereld herbergt, de enige uitzondering? Of woonde hij pás in Nederland en moest hij nog aan ons betoverend volkje wennen?
Het bleef een raadsel.
Ondoorgrondelijk als hij zelf waren de tekens die hij krabbelde op het bloknootje. Daarop ging hij zwijgend heen. En bracht, na een tijdje, wel degelijk alles wat we hadden besteld.
Er werd gretig op aangevallen. Het gekraak van de kroepoek duurde maar kort. Toen moest de sate eerlijk worden verdeeld.
‘Hij heeft er drie en ik maar twee.’
De andere schaaltjes leverden minder problemen op.
Mi Ae at langzaam en zorgvuldig met lepel en vork. Maar toen de anderen als verzadigd waren legde ze haar Nederlands bestek opzij, pakte een paar sate-stokjes van tafel en begon daarmee de resterende rijst te eten. Ze deed het heel behendig. Een stukje vroeger kwam boven.
Ik betaalde de rekening en we bleven nog even zitten. De kelner begon de tafel af te ruimen, zwijgend, gesloten en somber. Langzaam vorderde hij tot hij bij Mi Ae kwam. Opeens legde hij, heel even, met grote tederheid zijn hand op haar hoofd. Om zijn mond zweemde een glimlach. Eén seconde maar. Toen was hij weer alleen.