terug  begin  verderprepost
[p. 32]

Taxi

Het was al na middernacht toen onze visite opstond en verklaarde dat het tijd werd eens naar huis te gaan.

‘Wil je een taxi?’ vroeg ik.

‘Graag.’

Ik ging naar de andere kamer en draaide het nummer van de standplaats Leidseplein. Na geruime tijd zei een schorre, doffe stem: ‘Hallo?’

‘Hebt u een wagen voor me?’ vroeg ik.

‘Een wágen?’

Het klonk verbaasd.

‘Ik spreek toch met de taxistandplaats Leidseplein?’

‘Ja - het Leidseplein, dat wel. Maar ik zie geen taxi's op het moment. Ik sta hier. En die bel ging...’

‘O, u wacht op een taxi,’ veronderstelde ik.

‘Ik? Nee. Waar zou ik naar toe moeten?’

De stem klonk vermoeid.

‘Naar huis, bij voorbeeld,’ zei ik.

‘Ik heb geen huis. Dat wil zeggen - geen huis waar ik naar toe zou kunnen gaan. Mijn vrouw gooit de hoorn erop, als ik opbel. Toch zou ik haar graag weer eens willen zien. En de kinderen. En de honden. Die mis ik erg - de honden. Maar ze laat me niet meer binnen. Ze is bang voor me. Dat heeft ze al gezegd toen ik in de Valeriuskliniek zat. Dat ze bang voor me was. En waarom? Ik doe toch niks bijzonders? Wat doe ik nou?’

Ik zweeg. Er klonken geluiden die je kort na middernacht op het Leidseplein horen kunt - auto's, schreeuwende stemmen van uitgaanders, het gerinkel van een tram.

[p. 33]

‘Hallo?’ riep ik, na een tijdje.

‘Alleen de liefde kan de wereld redden,’ zei de stem. ‘Ik predik de liefde. Maar waarom stuit ik dan overal op vijandschap? Ik begrijp dat niet. In dat café, hè? Ik deed toch niks? Ik zei alleen zachtjes: “Pas op,” omdat ik de enige was die wist dat ze gewapend waren. Dat zijn ze toch altijd - gewapend? Maar iedereen keerde zich tegen me. En op het politiebureau werd ik zwaar mishandeld. Zó maar. Op m'n keel hebben ze geslagen. Daarom is mijn stem zo schor. En de volgende ochtend werd het weer Paviljoen drie. Dat begrijpt u natuurlijk wel.’

‘Ja,’ zei ik.

‘Maar zo'n psychiater... Ach, mijn wezen geef ik natuurlijk niet prijs. Mijn diepste wezen is van mijzelf. Ik heb wel geprobeerd hem uit te leggen dat het me alleen om de liefde gaat. Al twintig jaar predik ik de liefde. Ik word er zo moe van. Overal ben ik geweest, meneer. In Tibet, hè, daar heb je zo'n grensweggetje. De Chinezen hebben het aangelegd. Maar toen ik die grens naderde - ik was toch nog met de vrouw en de kinderen - zette ik de wagen neer en stapte uit. Ik zag dat ze achter de machinegeweren gingen zitten, maar ze schoten niet. Ze schoten niet op mij. Ze zágen het. Een ander zouden ze hebben doorzeefd. Weet u wat ik nou niet snap?’

‘Nee,’ zei ik.

‘Voor ik weer in Paviljoen drie terechtkwam heb ik, in het huis van een vriendin die met vakantie in Frankrijk was, drie weken de poes verzorgd. Een lieve poes. Ik heb het keurig gedaan. Toen ze me lieten gaan uit Paviljoen drie vroeg die psychiater of ik een aankomen had. En ik zei: “Ja.” Want ik dacht: ik ga bij die vriendin logeren. Ze heeft een groot huis. Maar toen ik op-

[p. 34]

belde uit een café, zei ze dat het niet kon. Ze vertrouwde me niet, zei ze. Hoe kan dat nou? Ik heb daar drie weken op de poes gepast. Toen vertrouwde ze me wel. En nou ineens niet. Ik begrijp dat niet.’

Hij begon onverstaanbaar te mompelen. Ik zág hem staan, daar op dat leuke Leidseplein.

‘Die psychiater, hè, die kwam ik gisternacht tegen in het coc. Nou ja, dat moet hij weten. Maar hij zei tegen me: “Toen u bij ons binnen kwam riep u dat u Jezus Christus was.” Ik herinner me dat niet. Het kan best. Ik predik toch ook de liefde. Maar weet u - in India ben ik geweest. En als je daar zegt dat je God bent, dan zijn de mensen blij. Ze feliciteren je. Ze roepen: “How nice for you.” Maar hier spuiten ze je vol rommel en stoppen je onder het spanlaken. Ik...’

Er klonk hevig gekraak. Een andere stem zei: ‘Taxi Leidseplein.’

‘Mag ik een wagen van u?’ vroeg ik.

prepostterug  begin  verder