terug  begin  verderprepost
[p. 35]

Vrede

Alle volkeren verlangen de vrede.

Geen regering wil het.

Deze bondige uitspraak van Paul Léautaud gold ook al toen ik nog een knaap was. Mijn broer - vier jaar ouder dan ik - legde er zich niet bij neer. Hij maakte deel uit van de Jongeren Vredes Actie en ging geregeld de boer op om leden of donateurs te winnen en brochures te verkopen. Daar hij vond dat ik zulke dingen óók moest gaan doen nam hij me een avond mee om me de grondbeginselen van het werven te leren. We gingen eerst naar tante Rie, nicht van mijn moeder, een nog vrij jonge vrouw met drie kleine kinderen, die haar man had verloren aan de Spaanse griep. Ze was een mollige verschijning - ‘üppig’ zeggen de Duitsers zo treffend - en ze zou erg geschikt zijn geweest als model voor naaktfoto's in de vorige eeuw, toen het schoonheidsideaal aan de vlezige kant was. Ofschoon ze niet het flauwste vermoeden had wat we kwamen doen, ontving ze ons hartelijk. We kregen thee en mochten een koekje nemen uit een ovaal, zilveren trommeltje dat nu veel geld zou opbrengen. Toen ze het weer weggeborgen had begon ze te vertellen welke grappige opmerkingen haar kinderen in het afgelopen kwartaal ten beste gaven. De stemming kreeg iets gezelligs, maar mijn broer greep in.

‘De wereldoorlog heeft de regeringen niets geleerd, tante,’ zei hij, zijn tas openend. Terwijl hij verder praatte over de noodzaak van ontwapening, stalde hij de boeken en brochures op tafel uit, zorgvuldig de prijs vermeldend om te doen uitkomen dat er iets bij was voor

[p. 36]

iedere beurs. Opeens begon tante Rie te schreien. Mijn broer zweeg. Eerbiedig keken we naar haar tranen, want een volwassene zagen we zelden huilen. Eindelijk zei ze: ‘Ach jongens, ik vind het mooi dat jullie je daarvoor inspannen, maar ik heb geen geld. Mijn man heeft mij geheel onverzorgd achtergelaten. Hij was lief maar lichtzinnig en dacht niet aan de dag van morgen. Ik moet leven van verstelwerk en ik borduur kleine schilderijtjes. Die verkoop ik voor vijf gulden, weet je.’

Ze stond op en toonde er een paar. Het waren galante voorstellingen uit de pruikentijd.

‘Leuk, hè?’ zei ze, terwijl nog één traan talmde op haar wang. ‘Neem ze maar mee. Misschien willen vader en moeder er een kopen. Of twee. 't Zijn pendants, zie je.’

Met haar in een krant verpakt kunstnaaldwerk onder de arm liep ik even later naast mijn broer op straat. Het was een kille, grauwe avond die veel regen in petto had, maar niet kon decideren. Zwijgend begaven we ons naar het echtpaar Pral, geen familie maar vrienden van mijn ouders. De heer Pral was van nederige afkomst en had een onbeduidende functie op een grossierderij in specerijen. Toen echter studenten, in een schouwburg die hij met mijn ouders bezocht, plotseling in het ‘Io vivat’ uitbarstten, verhief hij zich uit zijn stoel en zong mee, ofschoon hij nauwelijks enig onderricht had genoten.

‘Waarom doe je dat?’ vroeg mijn moeder, maar hij zong verder, zij het alleen de melodie. Het echtpaar Pral had een zoon van zeventien, Arie genaamd, die het later ver zou schoppen in het bankwezen. Maar die avond viel dat, toen we binnentraden, nog niet te bemerken, want

[p. 37]

hij hield zijn kaken op elkaar en werkte voort aan een grote legpuzzel.

De heer Pral, een zware, breedgeschouderde man zat in zijn leunstoel als op een troon. Zijn vrouw, een etherische schoonheid in verval, had hij destijds veroverd met zijn barse viriliteit. In hun verlovingstijd had hij een jonge kunstschilder, die in een koffiehuis vervoerd naar haar keek, twee oorvijgen gegeven. Ik zag geen donateur van de Jongeren Vredes Actie in hem, maar mijn broer hief dapper aan: ‘De wereldoorlog heeft de regering niets geleerd.’

Hij begon de brochures weer uit te stallen. De heer Pral had een nors lachje om de mond en zijn vrouw, die hij altijd aansprak met het woordje ‘trul’, werd onrustig. Arie puzzelde voort in een veel verzwijgend zwijgen.

‘Ja, maar als wij ontwapenen en de vijand komt?’ vroeg de heer Pral.

‘Dat kan niet,’ antwoordde mijn broer, ‘het is immers immoreel om een ontwapend land aan te vallen. Een nieuwe oorlog zou miljoenen slachtoffers eisen.’

‘D'r zijn toch te veel mensen op de wereld,’ zei de man.

Waarop mijn broer vroeg: ‘Wie bedoelt u? Mijn vader en ik of u en Arie?’

Voor het eerst maakte Arie geluid. Hij grinnikte. Toen we onverrichterzake weer op straat liepen, hoorden we snelle voetstappen achter ons. Het was mevrouw Pral. Ze bleef hijgend stilstaan en gaf mijn broer een rijksdaalder. De wind speelde met haar kapsel en een lange blonde krul viel over haar voorhoofd. Toen liep ze op een drafje terug naar huis.

prepostterug  begin  verder