terug  begin  verderprepost
[p. 44]

Rikkie

Tegen middernacht ging de telefoon. Ik nam de hoorn van het toestel en riep mijn naam. Een wat hese vrouwenstem - Marlene Dietrich, maar voor Amsterdammers naverteld - zei vertrouwelijk: ‘Lieve schat, mag ik je even iets vragen?’

‘Natuurlijk,’ riep ik.

‘Ik bel toch niet te laat?’

‘Nee hoor, ik ben nog op.’

‘Eh... wacht even, lieve schat, ik moet de radio wat zachter zetten. Ogenblikje...’

Terwijl ik wachtte dacht ik: ‘Wie zou dat nou wezen?’ Het aantal vrouwen dat mij ‘lieve schat’ noemt kan in een klein doosje. Déze klonk niet bekend. Maar als iemand eenmaal aan 't ‘lieve schatten’ is, kun je niet vragen: ‘Wie ben je eigenlijk?’

‘Ja, daar is ze weer,’ riep ze. ‘Die rotradio staat maar te jengelen de hele dag. Je kunt je eigen woorden niet meer verstaan. Nou lieverd, ik bel je eigenlijk over Rikkie. M'n zoontje, weet je. Hij is pas twaalf maar hij kan zó prachtig tekenen - je weet niet wat je ziet. Ik vind dat hij er in door moet gaan, maar als moeder, nou ja, zo'n jongen luistert niet. 't Is “trut” voor en na, weet je wel? Maar als jij ze nou eens bekeek, die tekeningen. Vreemde ogen dwingen...’

‘Goed hoor, laat-ie maar eens langs komen,’ zei ik. ‘Wat mij betreft - morgenmiddag om 'n uur of vier.’

‘Je bent 'n hondje,’ zei ze. ‘Tsjou!’

De verbinding werd verbroken. Ik had nog steeds niet het flauwste idee wie ze was, maar nou ja - de hond

[p. 45]

is a man's best friend, dus ik mocht niet mopperen.

Rikkie bleek een jongen van de klok te zijn. Precies om vier uur stond hij voor me, met een tasje onder zijn arm. Hij was erg klein voor z'n twaalf jaren, maar hij had iets zorgelijks in zijn gezicht, dat hem veel ouder maakte, waardoor hij leek op een lilliputter. Toen hij zijn jas had opgehangen en het flesje prik voor hem stond, zei ik: ‘Jij tekent zo mooi hè, Rikkie?’

Hij keek een beetje wrevelig en antwoordde: ‘Ach, dat zegt me moeder. Maar zelf vind ik het eigenlijk nog niks, hoor.’

‘Laat maar eens zien.’

Hij maakte het tasje met tegenzin open en haalde er een schetsboek uit dat hij voor me op het bureau legde. Ik sloeg het open.

‘Dat is het stadhuis te Middelburg,’ zei hij. ‘En dat is de Martinitoren in Groningen. En dat is de Domtoren in Utrecht.’

Het waren allemaal fletse, volstrekt waardeloze tekeningen. Daarom vroeg ik, om eens iets te vragen: ‘Ben je daar allemaal geweest?’

‘Nee, ik heb ze nagetekend, van kaarten. Die stuurde me moeder aan me, als ze op de tournee was. Ze zong bij een orkest, ziet u, m'n moeder. Vroeger. Nou zingt ze niet meer.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ze zit altijd maar thuis,’ zei hij, ‘of op 't hoekie.’

‘Leuk,’ riep ik, ‘het Vredespaleis in Den Haag. Dat ken ik. En de Euromast...’

Ik sloeg een bladzijde om en mijn stem stokte. Er stonden twee grote tekeningen naast elkaar, maar die waren niet flets. De ene stelde een kroeg voor, vol lave-

[p. 46]

loos dronken mensen, die de meest lugubere dingen deden. Je zag er een half in de muur verdwijnen met de staart van een rat. Een ander lag languit op de grond met drie flessen in zijn opengesperde muil. Een vrouw hing, boven de tapkast, aan de lamp, lachend als een waanzinnige. 't Was of Jeroen Bosch zich even had bediend van een kinderhand. De andere tekening stelde twee dikke, weerzinwekkende oude mensen voor. Een man in pyjama, die een krant las, met een jeneverfles naast zich op de grond en een vormeloos wijf met een glaasje in haar hand. ‘Opa en oma’, stond eronder. De sfeer was benauwend.

‘Die zijn mooi,’ riep ik.

Hij stond op en keek. Toen zei hij: ‘O, die horen er eigenlijk niet bij. Dat is maar klad. Die andere zijn net. Als u ze mooi vindt mag u 't schetsboek wel houden. Ik heb er toch genoeg. Wel twintig...’

Toen hij weg was heb ik nog lang naar die twee tekeningen gekeken. Ik begreep nu waarom hij zo zorgelijk was. Diezelfde avond laat belde zijn moeder weer.

‘Mooi hè, lieve schat, die stadsgezichten. Ik zei het toch al? Maar hij had bij vergissing ook z'n klad in het schetsboek laten zitten. Gooi dat maar weg hoor.’

En na een lange stilte, waarin alleen de radio jankte, zei ze: ‘Nou ja, ik sta ook overal alleen voor.’

prepostterug  begin  verder