Om mij goed in te scherpen dat de vakantie definitief voorbij was, moest ik meteen naar een begrafenis.
Zij het van een héél ver familielid, dat ik in geen dertig jaar had gezien, dus mijn waterlanders kwamen er niet aan te pas. Na de schrale plechtigheid, die qua sfeer geleek op de slecht bezochte première van een stuk dat onherroepelijk valt, ging ik in mijn eentje terug naar het hek, want iemand om te condoleren was niet voorhanden. Naarmate ik verder liep werden de graven ouder en pompeuzer. Net als in de bouwkunst wordt de laatste eer tegenwoordig zakelijk en zuinig langs de liniaal getrokken. Maar vroeger dorsten de mensen nog monumentaal en pathetisch uit te komen voor hun gevoelens.
Geïmponeerd bleef ik staan voor een enorme grafkapel die iets weg had van een muziektent. Maar in plaats van een blaascorps hield zich onder de hoge koepel een meer dan levensgrote, uit steen gehouwen engel op, die zich vooroverboog om, zo eeuwig mogelijk, een krans te houden boven een marmeren zerk. De engel had opmerkelijk lange tenen en ontsekste borsten. Haar gelaatsuitdrukking was volstrekt neutraal. Ze zou ook bijpassend hebben gekeken als ze, in plaats van de krans, een koekepan met een gebakken ei had vastgehouden.
Op het pad naderde nu een kleine, vergrijsde man met een uniformpetje op het hoofd en tuingereedschap in de hand.
Hij behoorde tot het personeel van de dodenakker en bleef voor het verblijf van de engel staan. Hij keek
als een museumsuppoost bij het énige schilderij in de collectie dat hij zelf ook mooi vindt.
‘Dat was nog een heel werk,’ zei ik tegen hem.
Hij knikte en sprak eerbiedig: ‘Geheid.’
Terwijl ik over het gebruik van deze term in dit verband nadacht, vervolgde hij: ‘D'r mot voor geheid wezen, indertijd. Zolang ik hier werk staat het er al. En nog steeds waterpas. Kijkt u zelf maar. Nee, daar moet voor geheid zijn, anders was 't al verzakt.’
Ik zei het al - vroeger drukten nabestaanden hun gevoelens pompeuzer uit dan nu.
De man hief zijn rechterarm in de lucht en wees met zijn vinger.
‘Dáár,’ zei hij. ‘Tussen de vleugels van die engel maken vogeltjes ieder jaar een nestje. Ik begrijp het wel. 't Is een beschut plekkie.’
Hij glimlachte. De engel niet.
‘Veel vogels zijn hier,’ zei hij. ‘En veel knijnen. Nou weet u, knijnen zijn gangengravers. 't Liefst zitten ze met de hele familie vlak onder zo'n zerk. Da's voor hun nou weer een beschut plekkie. Maar ja, soms worden 't er te veel, hè. En je moet oppassen dat de boel niet gaat verzakken.’
‘Doen jullie er iets tegen?’ vroeg ik.
‘Overdag zie je de knijnen niet,’ antwoordde hij. ‘Maar we hebben hier een lichtbakvergunning. Dus 's nachts schieten we er vaak een heleboel af.’
Ook bij deze mededeling bleef de engel neutraal kijken. Ik probeerde me die nachtelijke jachtpartijen in het rijk van Dracula voor te stellen, maar ik slaagde daarin niet. Het ‘rust zacht’ op de grafkranslinten kreeg alleen iets betrekkelijks.
Er naderde nu een man met een rode valhelm op, die kennelijk op weg was naar een wachtende motorfiets. Ook hij bleef stilstaan en sprak: ‘Ja, dat was nog uit ruime beurs. Vroeger tijd, hè. Tegenwoordig is het hier allemaal bezuiniging geblazen. En waarom? Eigen schuld, meneer. Indertijd kon je, als famielje, een bedrag ineens betalen. Een ronde som. En dan nam het kerkhof op zich het graf in orde te houden zolang het kerkhof bestaat. Ja, met begonia's erop, hou u daar effe rekening mee. De begonia's kostten toen vijftien cent en nou éénvijfenzeventig. Daar hebben ze zich financieel lelijk mee in de vingers gejaapt. Duizenden per jaar moeten erbij.’
‘Gaat u ook over de bloemen?’ vroeg ik.
‘Nee, ik speel op het orgel in de aula,’ antwoordde hij. ‘'t Is afwisselend werk, want je speelt op verzoek. Vóór de plechtigheid krijg ik altijd op een briefje wat de familie verlangt. Meestal bekend repertoire. Maar soms sta je voor een puzzel. Vorige week had ik een brieffie en daar stond op: “de paardemars”. Zou u dat weten?’
Ik schudde het hoofd.
‘Ik ook niet,’ zei hij. ‘Maar ik heb gewoon “Veilig in Jezus armen” gespeeld - en geen klacht gehoord.’