terug  begin  verderprepost
[p. 73]

1 Mei

Op 1 mei moest ik aan hem denken - met gemengde gevoelens.

Ulco heette hij en hij was onze kopij-jongen. Niet gisteren, maar in 1933, toen ik werkte op de redactie van het sociaal-democratisch dagblad in Den Haag. Ik heette daar ‘jongste verslaggever’. Maar Ulco was nóg jonger. Een knaap van vijftien jaar, belijdend lid van de Arbeiders Jeugd Centrale. Niettemin ontving hij een luttel weekloon.

Ik zeg ‘niettemin’, omdat onze veel te kleine redactie vaak leunde op partijgenoten die gratis medewerkten uit idealisme. Zij waren gegeven paarden, die je niet in de bek moest kijken. Onze fotograaf, een gepensioneerde rode tramconducteur, werkte met een achterhaalde apparatuur. Hij moest zóveel statieven ontvouwen dat, als hij eindelijk schietklaar stond, het te vereeuwigen onderwerp meestal was verdampt. Een andere gepensioneerde, die vroeger bij de posterijen had gewerkt, maakte voor ons belangeloos doch in de stijl van de vorige eeuw verslagen van verenigingsavonden. Tenminste, tot ik in dienst kwam en het karwei van hem overnam. Ik was erbij toen mijn baas hem mededeelde dat we voortaan geen beroep meer hoefden te doen op zijn idealisme. Hij verbleekte, greep zich vertwijfeld aan het hoofd als een slechte acteur in een ouderwetse draak en riep: ‘Maar man - dan kan ik 's avonds nooit meer weg.’

Een bondiger samenvatting van het begrip huwelijk heb ik nooit gehoord.

Ulco stond op de loonlijst, want hij had een volledige

[p. 74]

dagtaak, vaak met avondlijke overuren. Verslaggevers maakten toen nog ‘persklare’ verslagen. Als ik bij de rechtbank zat wist ik dat Ulco, eens per uur, achter mij zou oprijzen om de volgeschreven blaadjes in ontvangst te nemen en, op de fiets met het rode ajc-vlaggetje, naar de krant te brengen. Hij was zeer accuraat en zeer zwijgzaam. Ook zonder het vlaggetje zou je onmiddellijk de echte ajc-er in hem hebben herkend - blond gekuifd, gezond, helder van oogopslag en gekleed in een pilo pofbroekgewaad, waardoor hij steeds op weg scheen naar een kampvuur, ten einde deel te nemen aan een goed, open gesprek en vervolgens te luisteren naar een socialistisch vers van Margot Vos. Maar hij was onophoudelijk op weg naar de krant.

Pieters, onze stadsverslaggever die mij in het vak opleidde, zat vol grappen en rook op alle uren van de dag naar drank.

Al lang voor Jaap van der Merwe had hij een nieuwe tekst gemaakt op de Internationale, die hij vaak aanhief. Ik herinner me de zinnen: ‘Makkers kom, de oude klare, wacht ons in de kroeg met smart.’

Naast zijn bureau in het redactievertrek hing een groot stuk karton. Dat was zijn eigen muurkrant. Hij plakte er van alles op. Een fotomontage van ir. Albarda, de fractieleider der sdap, naast twee opmerkelijke juffrouwen die hij uit het badnummer van De Lach had geknipt. Een kop uit onze krant met een uitspraak van Wibaut die door weglating van een paar woorden een obscene betekenis had gekregen. Of berichtjes met een noodlottige drukfout, zoals: ‘Het vara-zomerfeest ging rustig van start, maar toen Lien en Ans Mierevelt op het grote podium waren gekeest stroomden de men-

[p. 75]

sen bij duizenden toe.’ De getrainde lezer begrijpt dat de k van gekeest een w had moeten zijn.

Bij het naderen van de eerste mei voerden partij en vakbeweging een actie met de slogan: ‘Op 1 mei zijn wij vrij.’ Omdat onze krant vele pagina's over de feestelijkheden en de redevoeringen op de dag van de arbeid volschreef, gold de slagzin allerminst voor de redactie, want wij moesten veel harder werken dan gewoonlijk.

Op 30 april werden aan het eind van de middag de taken door onze chef verdeeld. Ook Ulco zou het druk krijgen. Toen de bijeenkomst achter de rug was, plakte Pieters, met een snaaks lachje, een strook op zijn muurkrant die hij zelf vervaardigd had: ‘Op 1 mei zijn wij vrij, behalve wij.’ Het was goed voor een lach. De volgende ochtend waren we al weer vroeg present. Ik was net bezig een zak, oftewel een tweekoloms aanhef voor het grote mei-verslag te maken, toen Pieters uitriep: ‘Verrek. De muurkrant is weg.’

We keken allemaal naar de lege plek naast zijn bureau. En hoorden de zachte stem van Ulco zeggen: ‘Dat heb ik gedaan. Verscheurd en weggegooid.’

‘Ben jij nou helemáál belazerd?’ riep Pieters. ‘Waarom heb je dat gedaan?’

‘Het was niet goed,’ zei Ulco. ‘Het hóórde niet.’

Hij stond zeer eenzaam met opgeheven hoofd in het vertrek. Een ajc-er die wist wat niet hoorde. En die zijn bijdrage aan de heilige mei-dag had geleverd door al die oneerbiedige spot met de idealen te vernietigen.

prepostterug  begin  verder