terug  begin  verderprepost
[p. 84]

Gevoel

Toen ik de oude man die in het Vondelpark stond enige meters gepasseerd was, riep hij me na: ‘Hé, kom eens hier.’

Ik draaide me om en liep naar hem toe.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘O nee, ik bedoel u niet,’ antwoordde hij. ‘Ik bedoel m'n hondje. Die kleine zwarte daar.’

Hij wees en ik keek.

‘Leuk hondje,’ zei ik beleefd.

‘Vindt u?’ vroeg hij mat. ‘Ik vind er niks aan. Maar misschien komt het nog. Ik heb 'm pas.’

Hij was een kleine, schonkige man met een doorlijnd gezicht en hij keek me, door een zware bril, aan met ogen van een dof soort grijs.

‘Waarom hebt u dat hondje dan?’ vroeg ik, want dat leek me ter zake.

‘Eigenlijk op doktersadvies,’ antwoordde hij. ‘Het klinkt gek, maar het zit zo. Ik heb een nieuwe dokter. Die ouwe is er namelijk mee gestopt. Hij durfde 's nachts niet meer in te slapen, uit vrees dat de telefoon zou gaan. Ook erg, hè? Hij heeft ten slotte de boel maar overgedaan aan een jongeman. Nou ben ik van natuur niet iemand die naar dokters loopt. Je bent patiënt voor je het weet. En de meeste dingen gaan vanzelf over. Kapot moet je uiteindelijk tóch. Maar ik had wel erge last van m'n rug gekregen. Ik kon niet meer bukken om m'n schoenen aan te doen. En dat zalfje hielp niet. Ik had 't niet van m'n dokter maar van m'n hospita. Bij die vrouw heb ik een kamer en ze geeft me te eten. Meer niet. Ik

[p. 85]

onderhou geen geslachtelijke gemeenschap met d'r. Daar is ze te oud voor. Ze denkt niet aan zulke dingen. Trouwens - ik moet geen vrouw. Ik heb nooit een vrouw gemoeten. Niet dat ik verkeerd geschapen ben. Maar - het vrijgezelle type, hè. Geen behoefte aan iemand.’ Hij verhief zijn stem weer: ‘Hé, kom eens hier.’

Maar het hondje negeerde hem.

‘Klein sekreet,’ zei de man. ‘Die vrouw is doller op 'm dan ik, anders had ik 'm misschien al weggedaan. Maar goed - dat zalfje hielp niet en 't werd steeds erger, dus ik ging ten einde raad maar naar die dokter. Hij onderzocht me, maar hij kon niks vinden. Toen ging hij met me praten want - zei hij - het kon ook wel uit m'n geest komen. Dat was waarschijnlijk weer iets nieuws. Hij vroeg of ik zorgen had en of ik misschien m'n werk miste. Want ik ben al drie jaar gepensioneerd. Nou heb ik vierenveertig jaar bij dezelfde fijnhouthandel gewerkt, met de grootste tegenzin. Alleen maar omdat je nou eenmaal werken moest in mijn tijd. Dus m'n werk miste ik niet. Bepaald niet. Maar we praten zo verder, die dokter en ik, en ik zeg tegen hem: “Waar ik me wel eens zorgen over maak is, dat ik helemaal geen gevoel meer heb.” Want dat is zo. Vroeger wel. Maar nou niet meer.’

Hij keek me aan met diepe ernst.

‘En ik heb 'm ook een voorbeeld gegeven,’ zei hij. ‘Een half jaar geleden is m'n moeder gestorven. Negentig was ze. Ze zat al jaren in zo'n huis. M'n vader was al veel eerder gegaan. Familie had ze niet meer. Ze was enigst kind en ik ook. En ik heb haar ook als enigst kind begraven, helemaal alleen in de enigste volgauto. 't Was

[p. 86]

een kale boel. Op de kist lagen mijn bloemetjes en de bloemetjes van het huis. Na afloop kreeg ik in dat zaaltje een kop koffie met een plakkie cake. Er was gelegenheid tot condoleren, maar er was niemand komen opdagen.’

Het hondje kwam opeens zoet naast zijn voeten zitten. Hij bevestigde de riem en vervolgde: ‘Toen de koffie op was ging ik in de volgauto naar huis. Maar ik voelde me niet bedroefd. Ik dacht: “M'n moeder is dood, nou ben ik alleen op de wereld.” Daarna gingen m'n gedachten hun eigen gang. Alleen op de wereld. Dat was een kinderboek. Over een jongetje dat aan het zwerven ging met een bedelaar. Hoe heette die bedelaar ook weer, dacht ik. Een uitheemse naam had hij. Mijn hospita heeft ook 'n uitheemse naam, want haar vader was een Italiaanse schoorsteenveger. Ze kookt vaak Italiaanse gerechten. Lekker. Wat zou ze vandaag koken, dacht ik. Op vrijdag kookt ze meestal vis. Is 't vrijdag? Nee, 't is woensdag. Dan krijg ik dus geen vis, maar vlees. Gelukkig. Dát zat ik te denken in die volgauto. En ik had net m'n moeder weggebracht. Dan heb je toch geen gevoel meer?’

Hij keek naar 't hondje.

‘Die dokter zei dat ik een huisdier moest nemen. Dan had ik een wezen om me aan te hechten. Maar 't wil niet erg lukken, meneer. Of het ooit komt? Daar heb ik een hard hoofd in. Ik ben bang dat 't dood is, mijn gevoel.’

prepostterug  begin  verder