De Amsterdamse kroeg, waarin ik voor het raam zat, stond in een smalle steeg met veel van die boetiekjes, waarin je voorwerpen kon kopen die mijn opoe naast de vuilnisbak zette en kleren kon passen op de maat van de popgroep The Cats.
De lange, bejaarde man die de kroeg dreef, had het ontgoocheld uiterlijk van iemand die omgang met verkeerde vrienden te laat betreurt. Praten liet hij over aan de radio.
‘Ja Fred, hier is het leukjes,’ riep de stem van een vrouw.
Ze kwam binnen, gevolgd door een man, en koos het andere tafeltje voor het raam. Een jaar of vijftig, leek ze me. Ze was mooi slank, droeg blue jeans en had wijd uitstaand haar, geverfd in een kleur die niet echt bestond. Ze zei: ‘Als jij hier nu gezellig blijft zitten, ga ik even snuffelen in het bric-en-brac'je aan de overkant, want daar hebben ze altijd zulke enige dingetjes.’
Ze beschikte over een daas soort charmes, die echter beter uit de verf gekomen zouden zijn als Mary Dresselhuys haar had gespeeld. Nu bleef het dilettantisme.
‘Bestel je een sherrietje voor me?’ riep ze.
En bij de deur: ‘En iets te knabbelen.’
‘Goed,’ zei de man in de stoel bij het venster.
Ik schatte hem iets ouder dan zij, maar zijn haar was nog niet grijs, doch verdord mosterdgeel. Hij droeg het kort.
‘Zeg maar: kaal met een kuifje,’ riep mijn moeder me altijd na als ze me in mijn kindertijd naar de kapper
stuurde. Zulk haar had de man. Hij droeg een duur, doch te wijd pak en hij rookte een pijp. Zijn gezicht was erg bezienswaardig - gezond, bloot en volstrekt onintimideerbaar. Kapiteins van grote schepen hebben vaak zo'n hoofd.
De kroegbaas kwam, met een grijns als een plaksnor, vragen wat het voor meneer en mevrouw wezen moest en de man zei: ‘Sherry, jonge, bitterballen.’
Ook het weglaten van de lidwoorden hoorde helemaal bij hem.
Ik keek naar buiten. De deur van het winkeltje aan de overkant stond open. In het halfduister kon je de vrouw gebarenrijk in gesprek zien met de sluikharige meesteres van de uitdragerij.
Na een tijdje kwamen ze samen op de drempel om een paar aan het begin van deze eeuw vervaardigde kunstbloemen bij daglicht te zien.
Ze waren zeer groot, vermoeid wit en volslagen zinloos.
De man tegenover me keek ernaar met een gezicht dat geheel uit verzwegen mededelingen bestond.
‘Alstublieft,’ zei de kroegbaas. ‘De drankjes. En de bitterballen. Ik moet u waarschuwen - de bitterballen zijn nog erg heet.’
De man antwoordde niet en bewoog niet.
‘Bitterballen moeten heet zijn,’ sprak de kroegbaas op een toon of hij zijn centraal levensbeginsel op tafel legde.
‘Waarom?’ vroeg de man.
Hij wist erg veel inhoud saâm te ballen in slechts één woord. De kastelein overdacht de vraag en schuifelde toen zwijgend terug naar het buffet.
De twee vrouwen waren met de kunstbloemen weer in de duistere winkel binnengegaan. Toen ze uit het gezicht verdwenen, keek de man mij even aan met koele ogen. Maar hij zei niks. Hij dronk van zijn borrel. En enige tijd later probeerde hij een hapje bitterbal, dat hem meeviel. Er lagen er vier op het schaaltje, een krappe portie. Hij at er twee, schoof de andere helft van de portie naast het sherryglas en keek uit het raam.
Nu kwamen de twee wéér op de drempel. De vrouw had een tot op de grond neerhangende kaftan aan, in de schel oranje kleur die arbeiders op spoorwegenemplacementen dragen om op grote afstand zichtbaar te zijn. Ze draaide behaagziek met haar schouders. Ofschoon de gelaatsuitdrukking van de man niet veranderde, kreeg zijn houding iets van sprakeloze verontwaardiging.
Toen de vrouwen weer naar binnen waren gegaan, in een klef soort eendracht, boog de man zich haastig naar voren, greep de andere twee bitterballen, propte ze in zijn mond en kauwde met wrede kaken. Toen hij alles had doorgeslikt, ademde hij zwaar door de neus.