terug  begin  verderprepost
[p. 102]

Nasleep

De post bracht mij het overlijdensbericht van mevrouw Dop. Vijfentachtig werd ze. In het licht der eeuwigheid een onmerkbare rimpeling, maar naar onze aardse normen een kloek verblijf. De grote maaier, die geen pardon kent, zal wel moeite hebben gehad haar te overreden, want ze wist wat ze wou en dit wou ze ongetwijfeld niet.

Mevrouw Dop was de moeder van mijn eerste grote liefde. Ik zal 'n jaar of zeventien zijn geweest en ik vond haar een afschuwelijke oude vrouw, ofschoon ze, naar ik later besefte, hoogstens tegen de veertig liep. Wat me tegenstond was haar doortastendheid. Al bij onze eerste ontmoeting vroeg ze, of de advertentie in Het Vaderland, waarin acht woningen te huur werden aangeboden, door mijn vader was geplaatst.

‘Ja,’ antwoordde ik. Want mijn ouders hadden de vruchten van hun spaarzaamheid belegd in huizen, die meestal leegstonden. Na dit antwoord glimlachte mevrouw Dop erg vriendelijk tegen me en vroeg of ik nog een kopje thee wilde. Haar man, die klein en onbeduidend was, zat er ook voldaan kijkend bij. Hij reisde voor een firma, die al gauw failliet ging, en belde haar, als hij de nacht moest overblijven, 's avonds op.

‘Ga maar lekker slapen, schatje,’ zei mevrouw Dop dan. ‘Ik hou veel van je.’

Ik vond dit weerzinwekkend. Bejaarden moesten, mijns inziens, zulke dingen niet zeggen.

Elke zondag ging ik bij de familie Dop eten, omdat mijn grote liefde dat wilde. Maar ik had besloten haar

[p. 103]

niet in contact te brengen met mijn ouders, wier huiselijk gedrag ik te triviaal vond. Na enige maanden belde mevrouw Dop mijn moeder op en vroeg waarom haar dochter nooit werd geïnviteerd. Dit telefoontje had tot gevolg dat we daarna, op de zondagen, afwisselend bij haar en bij mijn ouders gingen eten. Mijn herinneringen daaraan zijn smartelijk. Ik heb er uit geleerd dat je kinderen nooit tot zulke tradities moet verplichten. Je leert niet veel, maar toch wel iets.

De romance met mijn grote liefde duurde twee jaar. Ik denk er in majeur aan terug. Het was hevig, pathetisch, bespottelijk en subliem, maar ook vol peilloze wanhoop. Liefde behoort eigenlijk zo te zijn. We waren Romeo en Julia, zij het op z'n Hollands. Daarom beeindigden we, na twee jaar, niet ons leven maar onze verloving.

Voor mijn ouders was de zaak daarmee echter niet uit de wereld.

Mevrouw Dop en haar man hadden, in die twee jaar, de gewoonte aangenomen elke woensdagavond bij mijn vader en moeder te komen kaarten en mevrouw Dop vond dat onze verbroken verloving geen aanleiding mocht zijn die lieve relatie te beëindigen.

‘Dat heb ik aan jóú te danken,’ zei mijn vader wel eens somber tegen me, als hij op woensdagavond de kaarten gereed legde. Levensbeschouwelijk verschilde hij, op bijna ieder punt, met de heer Dop van mening. Om de lieve vrede te bewaren voerde hij, tijdens het pandoeren, maar een soort komisch nummer op, waarbij de jeneverfles hem behulpzaam was.

Toen de beide vrouwen weduwe geworden waren, bleef mevrouw Dop mijn moeder eens per week bezoe-

[p. 104]

ken. Met haar dochter had ze vrijwel geen contact meer en ze verhuurde kamers om haar karig pensioentje wat aan te vullen. Een van haar huurders, een net boven de dwergenmaat uitgerezen man van vijftig jaar, was aan morfine verslaafd. Soms gaf hij te kennen dat hij er vanaf wilde. Mevrouw Dop sloot hem dan, met leeftocht voor een week, in zijn kamer op en deed de deur niet open, hoe hij ook kermde. ‘Hij gaat weer zó tekeer,’ zei ze tegen mijn moeder. ‘De buren klagen wel eens. Maar ik zet door. Hij wil er toch af?’

Een zachtmoedige vrouw was zij niet. Toen ik haar eens bij mijn moeder trof feliciteerde ze me, omdat ik niet met haar dochter was getrouwd.

‘Je zou maar ongelukkig zijn geworden,’ zei ze. ‘Ze is veel te eerzuchtig.’

Toen mijn moeder doodging kwam ze me in het sterfhuis bezoeken. Eerst huilde ze, met haar hoofd tegen mijn schouder. Vrouwen die met het hoofd tegen je schouder huilen, moet je met zorg uitkiezen. Tot bedaren gekomen vroeg ze om een aandenken. Ik antwoordde dat ze zelf maar iets kiezen moest. Uit een doos met grotendeels waardeloze kettingen en oorbellen pakte ze feilloos de enige gouden ring. Ook voor de nagelaten kleren had ze belangstelling. Toen ze begon te passen voor de hoge spiegel nam mijn vrouw het karweitje van me over. Op de vraag wat ze hebben wilde, antwoordde ze: ‘Alles.’ Het was een taxi vol en het moest, met hulp van mijn vrouw, allemaal worden opgestapeld in de kleine pensionkamer die ze nu bewoonde. Ze heeft die collectie jurken, jassen en jumpers vast niet kunnen verslijten. Daarom dacht ik, bij het lezen van haar doodsbericht: ‘Wie krijgt ze nou?’

prepostterug  begin  verder