terug  begin  verderprepost
[p. 123]

Een incident

De maandagochtend begon zo liefelijk. We hadden Yung bij ons en dat was leuk. Yung is onze tweede Koreaanse kleindochter. Ze arriveerde zo'n maand of acht geleden - met muziek voorop. Want onze oudste Koreaan, Mi Ae, die nu al tegen de vijf loopt, stond uiterst positief tegenover deze gezinsuitbreiding en riep tegen ieder die het al of niet wilde horen: ‘Me sussie komp.’

Want ook het dialect van de hoofdstad is haar al zeer vertrouwd.

Het sussie bleek een gans ander wezentje te zijn dan zijzelf. Een kleine, ranke prinses van twee was ze, met een gezichtje waarop vaak een vage glimlach zweemde die haar deed gelijken op een clowntje. Iedereen was blij met haar. Mi Ae ook. Maar dat verhinderde haar niet na twee weken op de toon van iemand die iets regelt te zeggen: ‘Zo - nou gaat me sussie weer naar Korea.’

Dat was normaal en eigenlijk nog zachtmoedig. De gemiddelde kleine jongen die verblijd wordt met een zusje dat de show steelt, vraagt na een paar weken, als de baby een ongewoon geluid maakt in de wieg, vriendelijk en hoopvol: ‘Gaat ze nou dood?’

Ook dát hoort erbij.

Yung blééf en bleek het vermogen te hebben onze taal razend snel op te pikken. En onze levensstijl ook. Toen ze vorige maand, tijdens een logeerpartij, des ochtends haar bed bleek te hebben bevuild, keek ze ernstig naar hetgeen ze had aangericht en vroeg toen: ‘Hebbie geen wasmasjien?’

[p. 124]

Want zo'n consumptiemaatschappij went snel. Ze vraagt ook telkens aan me: ‘Heb jij niette auto?’

Dit op de toon waarop je tegen iemand zou zeggen: ‘Heb jij geen benen?’

‘Nee, ik heb geen auto,’ antwoord ik telkens weer.

Ze moet het wel geloven, maar ze vindt me op dit punt een beetje een zonderling.

Die maandagochtend speelden we samen eerst langdurig met de telefoon, want voor dat vermaak heeft ze de leeftijd. We draaiden niet zó maar aan de nummerschijf, hoor, want dan krijg je meestal iemand die er op handen en voeten voor uit een deerniswekkend ziekbed is gekropen.

Nee, we maakten gebruik van de mogelijkheden die de bestierende overheid op dit gebied schenkt. Eerst de tijdmelding, vele malen. En vervolgens het weerbericht, waarnaar ze verzonken luisterde, of het een der fijnste sprookjes van Andersen was. Toen ze eindelijk de hoorn neerlegde, zei ze feestelijk: ‘Olkt.’

Ik begreep het niet, maar door zelf even 003 te draaien, vernam ik dat de geautomatiseerde juffrouw zowat acht keer ‘bewolkt’ zei. En dat woord kan Yung, nu ze in Nederland woont, niet vroeg genoeg leren.

Nee, het was een liefelijk begin van de maandag.

Maar na het telefoonspel trokken we de jassen aan en gingen met z'n drieën boodschappen doen. Eerst naar het postkantoor in de Kerkstraat. Daar moet je binnen via een benard draaideurtje. Ik hield het een beetje tegen om mijn vrouw met Yung in het krappe hokje te laten binnentreden en ging zelf in het volgende. Als tegenligger hadden we echter een jongeman met een uiterst gewichtige oogopslag. Hij vond ons langzaam

[p. 125]

tempo irritant en gaf de deur zo'n harde douw dat mijn vrouw naar buiten gestoten werd en met het kind op de grond viel. Yung stond meteen weer overeind en stelde vast: ‘Oma valle...’

Ik hielp haar op. In de verte spoedde de jongeman zich, zonder om te kijken, naar een ongetwijfeld stompzinnig doel. Ik haatte hem zo diep dat ik hem graag zou hebben vermoord. Dat verbaasde en geneerde me een beetje. Eigenlijk dacht ik dat die hete, redeloze drift allang in me was uitgedoofd, in een stad waar iedereen dagelijks iedereen wegduwt. Maar het vuur had alleen maar gesmeuld.

‘Niks aan de hand hoor,’ riep mijn vrouw. ‘'n Paar kapotte kousen.’

Ze lachte.

‘Oma lagge,’ zei Yung. Ik zag het, maar ik kon niet meedoen. Wel een half uur lang liep ik zwijgend boos te wezen op die rotzak. Toen zakte het een beetje.

Eigenlijk weet je weinig van jezelf.

prepostterug  begin  verder