Tussen de oude ansichtkaarten die het winkeltje verkocht lag er een die, waarschijnlijk om zuinigheidsredenen, zeer klein was van formaat. Op de adreszijde stond déze tekst gedrukt: ‘Vertrokken 1926 in Prizrenhauffschtal Macedonië, door Roemenië, Boelgarije, Joego-Slavië, Hongarije, Polen, Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk, Zwitserland, Duitschland en Holland. Onze reis duurt nog 7 jaar. De prijs van deze kaart laten wij aan Uw beleefdheid over. Dank U.’
Geen ondertekening. Maar de stellers van dit proza zag je op de grauwe foto. Twee in de lens kijkende mannen, met donkere pakken aan en pannekoekachtige petten op het hoofd. De langste van de twee was een gaaf voorbeeld van de leptosome lichaamsbouw. Zijn rechterschouder leek wat hoger dan de linker en zijn ene voet stond een eindje naar voren, of hij wilde doen uitkomen dat de fotograaf hem had betrapt tijdens de wandeltocht die nog zeven jaar zou vergen. Zijn smal gelaat vertoonde de zwaarmoedigheid van de proletariër in de rechteloze tijd. De andere man had iets glunders. Hij stond er minder gespannen bij en uit zijn borstzak groeide wat men toen ‘een lefdoekje’ noemde. Zijn afhangende linkerhand omklemde een touwtje, waaraan een naast zijn schoen liggend hondje vastzat. Het hondje keek ook in de lens, jofel en het volkomen eens met die lange reis. Achter de mannen stond een voertuig dat ze, helemaal uit Macedonië, door de wereld hadden geduwd. Het was een van hout vervaardigd huisje, waarop met behulp van een penseel bakstenen waren
nagebootst. Een deur en een raampje waren echt, dat zag je aan de vitrages. Waarschijnlijk sliepen de mannen in het huisje. Het was een op fietswielen staande caravan avant la lettre, zij het zonder auto. De paardekrachten leverden ze zelf.
‘Wat kost die kaart?’ vroeg ik aan de juffrouw van het winkeltje.
‘Twee gulden,’ antwoordde ze.
Want zulke kaarten zijn in de mode.
Ik betaalde en ging heen. In 1926 hebben de mannen nooit twee gulden voor zo'n kaart gekregen. Zo ver ging in die tijd de beleefdheid, waaraan de prijs werd overgelaten nog niet. Twee cent was al veel.
Ik weet het omdat een achterneef van mijn moeder, toen ik twaalf jaar was, ook eens terugkeerde van zo'n wereldreis te voet. Zijn echtgenote noemde ik ‘tante Brigitte’. Zij was de lelijkste vrouw van het universum, met een profiel dat haar zeer geschikt maakte om in een schimmenspel de rol van de heks te vervullen. Haar man zag er welgeschapen uit. Ik begreep weinig van deze romance. Misschien hij zelf ook niet, anders zou hij geen puf hebben gehad in vele jaren vergende wereldreizen in zijn eentje.
Ook hij verkocht een kaart waarvan de prijs aan de beleefdheid werd overgelaten. Je zag hem daarop, gekleed in een kort broekje en een wit overhemd met open kraag, in een heet land bezig een omvangrijk boek te tonen aan enige ontsteld kijkende Arabieren. Zijn wereldreis hing namelijk samen met zijn postzegelverzameling die hij in de onmetelijk verre landen waar hij doodleuk heenwandelde, gestadig aanvulde. De kaart met de Arabieren had hij, op de terugweg, in West-Europa ver-
kocht. In het nabije Oosten sleet hij een afbeelding, waarop hij doende was hetzelfde boek te tonen aan een groepje matte, tóén al uitgeviste Volendammers.
Ik noemde hem oom Ben.
In de familie keek men op hem neer. De wereld bewandelen was voor middenstanders, die op een gans andere manier vooruit wilden komen, geen serieuze levensvulling. Maar mij sprak het wel aan, vooral omdat ik zo iets nooit zou durven. Ik verzamelde ook postzegels en had van mijn moeder zelfs een Schaubeck-album gekregen. Oom Ben zette, toen hij gebruind, vermagerd en net zo arm als toen hij vertrok, in Den Haag was teruggekeerd een postzegelbeurs op, waar ik elke zaterdagmiddag heen ging. Er kwamen voornamelijk oude mannen, die hun zegels alleen met behulp van een tangetje optilden. Een van hen, een knorrige dikkerd, maakte eens bezwaar tegen mijn aanwezigheid omdat hij mijn collectie onbeduidend vond. Onmiddellijk wierp de achterneef zich voor mij, driftig betogend dat ik ook een serieuze verzamelaar was. Maar enige weken later verried ik hem door het album, met alles wat erin zat, voor een knaak te verpatsen.
‘Heb je er nu al genoeg van, jongen?’ vroeg hij.
En hij keek net zo zwaarmoedig als de langste man op de foto met het huisje, die in 1926 nog zeven jaar te gaan had op een boze wereld, met geen ander einddoel dan de schamele dood.