terug  begin  verderprepost
[p. 144]

Luciën

Toen ik nog een jongen was nam mijn moeder mij, in onze woonplaats Den Haag, op een zaterdagmiddag mee naar een groot herenmodemagazijn, om een nieuw pak voor me te kopen. Voor we er binnen gingen zei ze: ‘Je mag zelf uitkiezen, hoor.’

Ik antwoordde niet, want ik had toen al geleerd te leven met de werkelijkheid en wist uit ervaring dat ze, als ik zelf iets uitkoos, altijd riep: ‘Nee, dáár hebbie niks aan.’ Ook die middag kochten we dus het onopvallende pak dat zij keurig vond. Ik berustte nog sneller dan anders, want in dezelfde winkel bevond zich toevallig een algemeen bewonderde jongen van mijn school, die een klas hoger zat en zijn pak op een roekeloze wijze alléén kocht. Op maandagochtend had hij het aan. Ik niet. Met een lachje zei hij tegen me: ‘Je mag het zeker alleen op zondag dragen van je moeder.’

De herinnering aan die zaterdagmiddag kwam in mij op toen ik in Den Haag door het Achterom liep en bleef staan voor de etalage van een winkel die er nog precies zo uitziet als vroeger. De uitgestalde koopwaar trouwens ook. Men handelt in liedjes en komische voordrachten en die zijn niet van vandaag of gisteren. Ten gevolge van een onbeheerste manier van inkopen in het verleden kan de winkel je nu nog de hits van Willy Derby uit voorraad leveren en ook het complete repertoire waarmee Nap de la Mar volle zalen op de knieën kreeg, toen ik nog in de wieg lag. De erop gedrukte prijs (20 cent) maakte een achterhaalde indruk.

Die zaterdagmiddag droeg ik het nieuwe pak in een

[p. 145]

stevige kartonnen doos onder mijn arm, toen we naar de tramhalte liepen. Ik voelde me niet echt ongelukkig, want het was stralend zomerweer en de grote vakantie naderde.

Mijn moeder zei: ‘'t Is natuurlijk alleen voor de zondag. Je moet het niet afslonzen.’

Ik knikte. Opeens stond ze stil en begon te lachen.

‘Hier gaan we even naar binnen,’ zei ze, vreemd opgewonden.

Het was een sigarenwinkel met een bel die bij je binnenkomst even rinkelde. Andere klanten waren er niet, maar na een tijdje verscheen achter de toonbank een dikke, kale man met een somber, vlezig gezicht.

‘Een doosje Broches,’ zei mijn moeder.

Dat waren de dikke, Egyptische sigaretten, waarmee mijn vader in huis een aangename geur verspreidde. De man zette het doosje op de toonbank en mijn moeder keek hem aan met ogen vol verwachting. Na enige tijd wierp hij, met duidelijke tegenzin, een blik in de richting van de straat vol zomerzon en zei: ‘D'r zit sneeuw in de lucht.’

Mijn moeder begon zó onbedaarlijk te schateren dat ik haar verbaasd van opzij aankeek. Pas toen we weer op straat liepen kwam ze tot bedaren en zei: ‘Weet je wie dat was? Luciën!’

De naam luidde bij mij geen bel.

‘De beroemde humorist,’ riep ze. ‘Ach, ach, wat heb ik vroeger om hem gelachen als hij optrad. Nu doet hij dat niet meer. Hij heeft een sigarenwinkel.’

De etalage in het Achterom bevatte het lied ‘Hoe ik vegetariër werd.’ Er stond in krulrijke letters op gedrukt: ‘Vervaardigd en met reusachtig succes in Casino

[p. 146]

Rotterdam, Panopticum Amsterdam, Apollo Theater Den Haag enz. voorgedragen door den populairen Gentleman Humorist Luciën.’

Ik ging naar binnen en kocht het bij een oude, doch vrolijke juffrouw die de opgedrukte prijs eerst met een slecht functionerende pen doorstreepte en veranderde in één gulden. In een café las ik het liedje. De zanger vertelde er in dat hij drie jaar getrouwd was geweest met een vrouwtje ‘een snoesje, een guitje’. Ze nam echter met de huisvriend de benen naar Chicago. Daar liep het slecht met haar af. De nieuwe minnaar hakte het snoesje, het guitje met een bijl aan stukken. De gentleman-humorist bemerkte het toen hij een Amerikaans blikje corned beaf opende. Hij kreeg ‘een rilling van griebel en grauw, want tussen het vlees lei de trouwring mijner vrouw.’

Thuisgekomen gaf mijn moeder de sigaretten aan mijn vader en zei: ‘Gekocht bij Luciën. Hij kwam weer zó leuk uit de hoek.’

Zolang de sigarenwinkel bestond heb ik er altijd met een zekere eerbied naar gekeken. Maar het slot van ‘Hoe ik vegetariër werd’ bleek te luiden: ‘Ik had met die corned beaf zonder het te weten, een vinger of wat van mijn vrouw opgegeten. Neem daarom geen corned beaf daar je nooit weet, of je niet een stuk van je schoonmoeder eet.’ Slapende honden moet je niet wakker maken en dode gentleman-humoristen evenmin. Ze zingen in de hemel verder.

prepostterug  begin  verder