Laatst belde Guustaaf mij op. Ik dacht eerst dat hij een beetje beschonken was, want hij praatte zo lallerig. Maar dat kwam door de verdoving, zei hij, want hij had net zijn verstandskies laten trekken. En of hij morgenmiddag om drie uur even met me praten kon. Ik antwoordde dat het goed was en hij noemde, als plaats van samenkomst, een groot café in het centrum.
‘Ik zal er zijn,’ zei ik en hing op.
‘Wie was dat?’ vroeg mijn vrouw.
‘Guustaaf,’ zei ik. We kennen hem allebei van heel vroeger, toen hij nog in Amsterdam woonde en literaire ambities had. T.S. Eliot zei eens over een vrouw: ‘Haar gedichten zijn interessant voor iemand die belang in haar stelt.’ Dat gold ook voor de gedichten van Guustaaf en wij stelden belang in hem, want hij was een aardige jongen. Maar op een dag trouwde hij, kapte met de schone letteren, volgde zijn vader op in de zaak en kreeg een druk leven. We zagen hem nooit meer, want hij was gaan wonen in zo'n opgeknapt boerderijtje dat je alleen kunt bereiken met een auto en een wichelroede.
Precies om drie uur kwam hij de volgende dag het café binnen, erg vergrijsd.
Uit zijn diplomatenkoffertje, waaraan nog een verdord label van PanAm hing, haalde hij een in rood plastic gebonden manuscript te voorschijn en zei, een beetje gegeneerd: ‘Ik heb 'n roman geschreven. Toch nog. Zou je 'm willen lezen?’
Toch nog.
Voor een auteur die het maar vergat, is de Muze net een toffe vrouw uit de dolle jaren, die altijd opduikt als hij op het punt staat de Beurs binnen te gaan. Vroeg of laat lopen ze weer een eindje samen op - en daar lag hun kind nu, rood ingebakerd tussen de koffiekopjes.
‘Ik heb straks een dringende afspraak in de stad,’ zei hij. ‘Maar volgende week op dezelfde tijd kan ik weer hier zijn. Wil je me dan vertellen wat je oordeel is?’
Zijn glimlach was een beetje ontkleed, maar toch al op weg naar de routineplooi van de zakenman. We namen afscheid, ik las nog een paar kranten van de leestafel en pas toen ik 's avonds thuiskwam bemerkte ik, tot mijn ontzetting, dat ik het manuscript tussen de koffiekopjes in het café had laten liggen.
‘Een rood boek?’ zei de kelner de volgende ochtend. ‘Ja, daar heb ik mijn collega mee zien sjouwen. Maar die heeft vandaag geen dienst. Morgen wel.’
Het was een kwestie van terugkomen.
Des anderen daags kreeg ik de collega te pakken. Hij was een stevige, gezonde man van een jaar of veertig en hij sprak: ‘Is dat van u? Crimineel meneer. Ik heb 't achterelkaar gelezen. Wat heet gelezen? Opgevreten. Ik heb dat boek opgevreten, meneer. Mijn vrouw riep telkens: “Kom toch in bed, mallerd.” Maar nee, ik kon niet ophouden. 't Leek wel sterke drank. Gek hè? Dat je niet kan ophouden met lezen. Maar toch was ik ook bevreesd. Ik was bevreesd voor dat boek. Is dat niet eigenaardig, dat je bevreesd bent voor een boek, dat nog niet eens gedrukt is? Maar als die duivelse persoon daar 's nachts in dat stille huis... U kent het toch?’
‘Nee, ik moet het nog lezen,’ zei ik.
Dat trof slecht, want hij had het net even uitgeleend
aan dat meisje van de vestiaire, Fietje genaamd en ook een liefhebster van iets moois. Ik liep er heen maar vond de jassen bewaakt door een oude dame, met een blik vol geschiedenis. Nee, Fietje was er niet. Ze had twee snipperdagen genomen.
Toen die om waren trof ik haar. Een vrolijk meisje, dat dadelijk riep: ‘Een leuk boek, meneer. Gelachen dat we hebben. Want ik lees 't voor aan m'n moe, ziet u, die is ziek, iets met haar been, dat moet hoog liggen aan zo'n katrolletje, zo'n gek gezicht meneer, maar we lachen erom, me broers en ik en me moe ook, we zijn altijd maar aan 't lolletjes trappen, dus dat boek kwam goed uit, gegild hebben we er om, wie dat geschreven heeft, nou meneer, die ken d'r wat van.’
Het lag nog bij moe. Maar ze zou het gauw meebrengen. Gauw bleek een dag of drie. Precies een uur voordat Guustaaf weer in het café verscheen had ik het rode manuscript eindelijk terug, licht beduimeld. Ik las zo hier en daar een passage. Schrijven kon hij nog steeds.
‘Denk je dat het begrepen zal worden?’ vroeg hij.
Ik keek naar de kelner die de koffie neerzette en naar Fietje in de vestiaire en zei, zonder te twijfelen: ‘In brede kring.’