Han Hoekstra heeft eens, in een erg mooi gedicht, de huwelijkspartner ‘de liefste vreemde’ genoemd.
In de loop der jaren leren de liefste vreemden elkaar steeds beter kennen. Maar nooit helemaal. Wat dit laatste betreft spreek ik geheel voor mezelf. Soms vermoed ik dat mijn vrouw mij wél helemaal doorheeft, maar aangezien ik van mezelf weinig weet, kan ik dat moeilijk beoordelen.
Niettemin heb ik, in de loop der tijden, bepaalde dingen geleerd. En als gevolg daarvan komt soms het schaamrood op mijn kaken als ik me daden van vroeger herinner. Geen belangrijke daden hoor. Kleinigheden. Ik was bij voorbeeld een middag alleen thuis. Ik zat in de huiskamer. En ik dacht opeens: ‘Dat schilderij hangt daar niet goed. Het kan beter op die andere muur hangen.’
Dan stond ik op, pakte hamer en spijkers en hing het schilderij op de plaats die ik beter vond. Aan het eind van de middag kwam mijn vrouw thuis. Ze merkte niet onmiddellijk wat ik gedaan had. Soms gingen er uren overheen, eer ze zei: ‘Ach - heb je dat dáár gehangen?’
‘Ja. Het hing niet goed. Op die muur komt het beter uit, niet waar?’
‘Nou ja...’
Meer niet. Maar weer enige tijd later zei ze opeens: ‘Als ik uit de keuken kwam vond ik 't toch wel leuk als ik 't daar op dat muurtje zag...’
‘Ik wil 't wel weer terughangen hoor.’
‘Ben je mal, dat hoeft niet. Het is helemaal niet belangrijk. Nee, ga nou niet wéér aan de gang.’
Van dit soort dialogen heb ik geleerd dat ik zulke dingen niet eigenmachtig moet doen. Ik besluip het probleem nu omzichtiger. Ik zeg: ‘Dat schilderij, hè, vin-je nou dat het daar goed hangt?’
Dan kijkt ze me aan. ‘Jij niet?’ vraagt ze.
‘Eigenlijk niet. Ik geloof dat het beter uit zou komen op die andere muur.’
‘Nou, als je dat wilt, hang 't er dan.’
‘Nee - jij moet het ook willen.’
‘Waarom?’
‘De huiskamer is net zogoed van jou als van mij. Ik woon hier toch niet alleen?’
‘O, mij kan 't niet schelen. Ik vind alles best.’
‘Onzin. Je hebt er toch wel een oordeel over?’
‘Nee hoor. Je doet maar.’
En dan doe ik het. Ofschoon ik niet het gevoel heb op zulke momenten te steunen op een bruikbaar compromis. Het is meer een vorm van tolerantie, waaraan berusting ten grondslag ligt. Maar het gecompliceerde is nu, dat die tolerantie niet altijd functioneert.
We gaan naar de schouwburg, die zeven minuten lopen van ons huis verwijderd is. Het doek zal om acht uur vijftien opgaan. Ik wil eigenlijk om kwart voor acht al de deur uit. Ze zegt: ‘Dat is toch onzin?’
‘Waarom?’
‘We zijn er in zeven minuten. Wat moeten we daar dan al die tijd doen?’
‘Nou ja, ik wil niet op het nippertje komen.’
‘Als we vijf over acht weggaan zijn we ruimschoots vroeg genoeg.’
Ik vind dat veel te laat en een ondraaglijke vorm van gevaarlijk leven. En ik ga op een zodanige manier zitten wachten dat ze om acht uur zegt: ‘Nou vooruit, laten we dan maar gaan.’
Ik heb mijn jas dan in twee seconden aan. Zij nog lang niet. In de hal blijkt dat ze haar handschoenen vergeten is. En in de lift zegt ze: ‘Ik moet nog even terug. Ik heb het licht in de keuken laten branden.’
Eindelijk op straat roept ze: ‘Waarom draaf je zo? Het is acht uur drie. We zijn er over vijf minuten. Dan kunnen we normaal lopen. Niet rennen. Dat is nergens voor nodig.’
En dan lopen we normaal - de liefste vreemde en ik.