terug  begin  verderprepost
[p. 159]

Chez Claude

In het aardig bedoelde plaatsje Antibes, waar ik u dit schrijf, kan het aanhoudend regenen uit een verre van azuren hemel.

Het is zondagochtend en de inheemsen slapen uit. Hun winkels zijn dicht en bijna al hun kroegen ook. Maar na lang zoeken vind ik er een die zelfs vandaag wil tappen. ‘Chez Claude’. Hij kijkt uit op een ambitieus grondwerk van de gemeente. Een enorm graaftoestel, dat kinderen ‘een happert’ noemen, lijkt, met de kop moedeloos ter aarde, op een door de mensen getemde brontosaurus, die vandaag extra heimwee heeft naar de oertijd. Toen regende het natuurlijk óók, maar niet op iets dat mensen hadden gewrocht. En die combinatie doet je de das om, geloof ik. De Engelse schrijver De Quincey, vijftig jaar lang verslaafd aan opium, zei dat hij dit middel voor het eerst tot zich nam op een verregende zondag. Want - zo voegde hij eraan toe - de wereld kan geen saaier schouwspel bieden, dan een verregende zondag in Londen. Ook Antibes, gebouwd voor zonneschijn, mag er wat de saaiheid betreft, vandaag wezen. Claude van ‘Chez Claude’ is dan ook al bijtijds beschonken.

Achter zijn ronde tap, niet veel groter dan een preekstoel, schenkt hij zichzelf Pernod. Hij is een kleine, corpulente man met grijzend haar en troebele ogen. De vriendelijkheid waarmee hij mij begroet, klinkt te pompeus.

Zijn vrouw staat, glazen spoelend, op een on-bittere wijze in hem te berusten. Ze herinnert zich zijn aardige

[p. 160]

jaren nog, denk ik. Ze is een dikke, blonde poes, ééns mooi geweest, al heeft ze de platte neus van een bokser aan het eind van zijn carrière. Maar zelfs die neus flatteert haar.

Claude maakt mijn koffie klaar met de langzame zorgvuldigheid van de alcoholist, die over elke handeling even moet nadenken, omdat hij er niet één vergeten mag. Kopje vullen. Op het schoteltje zetten. Lepeltje erbij leggen. Wat nu nog? O ja, de suiker. Het geheel even overzien. Nee, er ontbreekt niks.

‘Voilà monsieur.’

Het klinkt te triomfantelijk. Hij heeft 't hem toch maar weer geleverd. En hij beloont zich haastig met een slok Pernod.

De vrouw, gehuld in een zeer wetend zwijgen, zet de radio aan. Monte Carlo. Een programma van Jean-Pierre, een jongen met een stem of hij de hele dag fondant vretend voor de spiegel staat. En wat doet Jean-Pierre? Dames in den lande opbellen. De gelukkigen mogen een verzoekplaatje uitkiezen.

U merkt het - als men verre reizen doet, kan men veel verhalen.

‘Aha, c'est vous, madame Hervier? Jean-Pierre!’

Er komt nu een oude man binnen, die ook Pernod wil.

Claude weet echt wel op de tast waar de fles staat. Na de eerste slok begint de man aan een wijdlopige verhandeling over de regen en de vermoedelijke oorzaken daarvan. Hij is de universele café-ouwehoer, maar in het Frans klinkt het leuker, dat moet ik toegeven.

Als hij het onderwerp geheel leeggemolken heeft, vraagt Claude: ‘Hoe vin-je mijn nieuwe lamp?’

[p. 161]

Hij wijst, boven de bar, naar de zoldering.

Daar hangt een grote, blijkbaar door een reus geblazen bel van kleurloos glas met een peertje erin.

‘Aardig,’ zegt de oude. ‘Maar 'n beetje koud licht.’

De zwijgende vrouw glimlacht.

‘'t Is modern. Ik heb 'm zelf gekocht,’ zegt Claude, in het defensief.

Buiten regent het nog steeds. Jean-Pierre draait een verzoekplaatje van Sacha Distel. Hij was de jonge minnaar van Edith Piaf, de enige kunstenares die iets magistraals aan de zondag ontleende, door ‘Je hais les dimanches’ op háár wijze te zingen.

Jean-Pierre heeft nu een andere dame aan de lijn.

Madame Brulot. Of ze wel weet met wie ze spreekt.

Ja hoor. Madame Brulot komt neuzig verzekeren dat ze ‘complètement émue’ is van de grote eer. Nou dat verbaast Jean-Pierre niks.

‘En madame, hebt u kindertjes?’

‘Nee, Jean-Pierre.’

‘Nou, die komen dan nog wel...’

Bedroefd zegt mevrouw Brulot: ‘Nee, Jean-Pierre, dát is onmogelijk...’

Op dit voortreffelijk gekozen moment laat de nieuwe lamp van Claude los en valt aan duizend stukken op de stenen vloer vlak naast de oude man. Die grijpt naar zijn hart. Maar de vrouw van Claude begint te lachen, eerst zachtjes maar al gauw zó onbedaarlijk dat de tranen over haar wangen lopen. Door de radio zingt Aznavour erg toepasselijk: ‘Formidable.’

prepostterug  begin  verder