Het dorpscafé was in tien jaar niet veranderd en de kastelein evenmin. Hij had nog steeds de door weer en wind gelooide kop van een man die meer achter de koeien thuishoort dan achter de tap. Grijnzend zei hij: ‘Een stuk ouwer geworden ben je. En je hebt nog 'n prijs gewonnen óók, las ik in de krant. Da's geluk, hoor. Ik speel m'n leven lang al in de loterij, maar nooit wat. Nou ja, één keer eigen geld.’
‘Drink wat van me,’ zei ik. Hij wou, als vanouds, brandewijn, maar de fles bleek leeg. Toen hij een nieuwe haalde in de met ijzeren heldeen gebarricadeerde voorraadkamer vlak bij de feestzaal, keek ik rond in het café, waar ik meer dan tien jaar terug zo vaak kwam. De oude, bruine meubelen. Het prachtig geborduurde vaandel van de muziekvereniging in de standaard. De vitrine met de trofeeën van de visclub. Nieuw waren alleen een paar scheuren in het laken van het biljart, gebrekkig hersteld met reepjes doorzichtig plakband. Nou ja, caramboles maakten ze hier toch bij toeval.
‘Daar ben 'k weer,’ riep de kastelein. Hij opende de fles, schonk zich in en hief het glas.
‘Proost,’ zei ik. ‘Hoe is het met de nachtclub?’
‘O, die ben' vertrokken.’
De nachtclub was, in de tijd toen ik hier nog regelmatig kwam, de bijnaam van drie mensen. Een middelbaar echtpaar, Jan en Anna, en de grijze dorpssmid in ruste. De smid had vroeger, toen zijn vrouw nog leefde, nooit een voet in het café gezet, maar als weduwnaar begon hij te drinken, het gebruikelijk nadeel van een
goed huwelijk. Hij gaf veel rondjes want hij had geld. Anders dan de kastelein, leek hij duidelijk op zichzelf. Groot, sterk en integer, zoals een smid eruit behoort te zien. Hij stond in hoog aanzien en daarom betreurden de mensen in het dorp het dat hij elke avond in de kroeg zat met een waardeloze man als Jan. Maar ze begrepen het wel, want Anna was nog altijd mooi en de smid kon niet zonder vrouw. Zolang Jan gratis jenever kreeg, kneep hij een oogje dicht. Als het café om twaalf uur sloot had hij een liter klare binnen. De smid reed ze dan met zijn auto naar z'n huis. Zodra Jan daar, met de kruik naast zich, in de stoel onder zeil was, gebeurde het. Want Anna bleef bij de tijd. Ze dronk bijna niets. Ze zat er altijd mooi en statig bij en ze liet het domme gewauwel van haar door de drank verwoeste echtgenoot zwijgend over zich heen gaan. Hij had al drie hartaanvallen gehad. Haar wachten was nu op de definitieve. Daarna, zo had zij zich vast voorgenomen, zou ze trouwen met de smid, dat wist iedereen.
De koele blik waarmee ze, in het café, naar Jan keek had iets ijzingwekkends. Ze pleegde een geduldige moord, zonder dader.
‘En horen jullie nog wel eens iets van Jansje?’ vroeg ik.
‘Nee, die zit zó ver weg, hè...’
Jansje was de dochter van Anna en Jan, zachtmoedig en lelijk. Als thuis de televisie uitgebabbeld was, kwam ze wel eens een flesje prik drinken in het café.
Ze had iets weerloos en ze hield van kleine kinderen. Daarom wilde ze zó graag een man, dat ze gretig inging op de avances van Ludwig. Hij maakte deel uit van een groep Duitse monteurs die in de nabije fabriek een
nieuw machinepark op poten moesten zetten. Elke avond zaten ze in de kroeg bij bier en schnaps en zo kwam het áán tussen Jansje en Ludwig. Toen het karwei voorbij was nam hij haar mee naar zijn dorp, want daar zou in de kerk worden getrouwd. Drie maanden later kwam ze terug bij haar ouders, uitgeteerd en overspannen.
‘Op zo'n heel klein boerderijtje zit ze,’ zei Jan 's avonds in de kroeg. ‘Werken als een paard, die Ludwig slaat haar en z'n twee broers pikken haar met geweld. Ik zou d'r verdomme wel heen willen gaan om ze allemaal in mekaar te slaan. Maar ja, ze zal toch terug-moeten, want ze heeft haar man in 't leven te volgen. Ze is getrouwd.’ Aan dat laatste werd in het dorp getwijfeld. Jansje hoorde dat al gauw en het was haar eer te na. Toen het afscheidsfeest van de pastoor in de zaal van het café werd gevierd en de stemming er al goed in zat, ging de deur open en kwam Jansje binnen, gekleed in haar witte bruidsjurk met sluier. Zelfs het gehuurde bandje werd er stil van. Ze schreed door de zaal met de ogen van iemand die slaapwandelt.
‘Hoe is 't precies verlopen met de nachtclub?’ vroeg ik.
‘Eerst kreeg Jan z'n laatste hartaanval. Drie maanden later ging de smid. Anna heeft nog een jaar in armoe geleefd. Nee, de plannetjes zijn niet doorgegaan.’
‘Neem nog wat van me,’ zei ik.
Hij hief het glas en sprak: ‘Op de prijs die je gewonnen hebt. 't Was zeker een staartnummer.’
‘Ja, een staartnummer,’ zei ik.