De titel is als volgt weer te geven: ‘Opmerkingen over de thans aanwezige komeet en de huidige ontwikkelingen, zowel hier (in ons land) als in andere landen. Met een uiteenzetting over de juiste kennis, benodigd om alle tekenen des hemels en vreemde sterren te interpreteren op een goede en lovenswaardige manier - dit alles bij wijze van nieuwjaarsgeschenk, bestemd voor alle verstandige mensen.’
De titelgravure is te zien als een illustratie bij r. 149 e.v. van de Tsamen-sprake, het tweede onderdeel van het pamflet. Rechts zien we dan de heren Gheen-aert en Wel-hem, en links de heer Reyn-hart, die optreedt als arbiter in de discussie. Het is zeer waarschijnlijk dat verschillende onderdelen van de afbeelding symbolisch moeten worden opgevat. Te denken valt bijvoorbeeld aan de hond (een bekend symbool voor trouw) en aan de houding van de handen; Welhem en Gheen-aert maken de gebaren van twist en tweedracht, Reynharts rechterhand maakt het gebaar van de vreeswekkende waarschuwing, terwijl het gebaar van zijn linkerhand wellicht dat van de trouw aan het gegeven woord is. (Vgl. J. Bulwer, Chirologia, p. 189, G; p. 155, S, V.) Nader onderzoek zal mogelijk de precieze betekenis van de gehele afbeelding aan het licht kunnen brengen.
Het onderschrift bij de afbeelding is Jesaja 51:22: ‘Zo zegt uw Here, de Here en uw God, die de rechtszaak van zijn volk verdedigt: Zie, Ik neem uit uw hand den beker der bedwelming; den kelk mijner grimmigheid zult gij niet langer drinken.’

1+De Gecommitteerde Raden vande Heeren Staten van Zeelant, 2Gesien ende gheexamineert hebbende, dese aenmerckinghe op 3de Steert-sterre, hebben Gheadvoyeert ende Advoyeeren by3 4desen den Druck daer af ghedaen, Consenteerende dat de selve4 5soo dit exempelaer is luydende, voorts sal moghen doen 6drucken, ende binnen de Provintie van Zeelandt vercoopen, 7Gedaen int Hoff van Zeelandt tot Middelburgh den ij. Ianuarij, 81619. 9My present 10i. borreel.10
ALsoo den Autheur van het voor-gaende gedicht schijnt in het1 selve, door voorstellinge van dry persoonen van verscheyden2-3 bedenckinghe, te hebben willen af-beelden het ghemeene3-4 gevoelen der menschen in materie van Gesterten (dat veeltijts in5drien sich schijnt te verdeelen) Soo heeft ons goet gedacht wat5 naerder opmerckinge over dese voorgeslagen bedenckinge den gunstighen Leser voor te stellen, op dat hy wat breeder stoffe soude77 moghen hebben om van dese ende dierghelijcke saken yet wes te connen oordeelen. Wy houden dan, volgens het voor-ghestelde910gedicht, datter zijn dry-derley soorten van menschen, elck op een10-11 bysondere wijse van de Ghesterten des hemels ghevoelende, van de welcke de eerste soorte de sterren en teykenen des hemels soo veel toeschrijven, datse meynen alle het doen ende laten van alle13 menschen int gemeen, ende van yder mensche int bysonder, niet15alleenlick daer door veroorsaeckt te wesen, maer daer en boven als inde selve ghelesen, ende daer uyt voorseyt te connen werden. De tweede soorte, in tegendeel van het voorgaende, gansch aende aertsche dingen als vernaghelt ende vast gemaeckt zijnde, treckt18 sich de Sterren en teyckens des hemels (t'sy dan ghewoonlick ofte19-2020ongewoonlick) int alderminste niet aen, als dinghen die niet om t'lijf en hebben: achtende nauwelick de pijne weert haer ooghen21 op te slaen ten hemel om die te beschouwen, ofte haer sinnen22-23 innewaerts te trecken om die te bedencken. Die vande derde soorte, de middelmaticheyt verkiesende, houden het ghebruyck2425ende beschouwinghe soo van ghewoonlicke Sterren als vande Cometen ende diergelijck gheoorloft en loffelick; bemerckende26-28 de selve niet verder dan ghelijck hier naer breder sal gheseyt werden.
+Wat aengaet het ghevolen vande eerste soorte van menschen,29-4130te weten van de ghene die het gheluck ende ongheluck eens yders uyt de sterren willen afnemen, alhoewel het selve inde hoofden van vele, door de misleydinge van eenige waen-wijse
Sterre-geleerde, seer diepe is geplaetst, Evenwel nochtans stellen wy als vast en seker dat het selve niet alleenlijck by alle Godsali-3435ghe behoort afgekeurt ende geheelijck verworpen te werden, als strijdende tegens de eeuwige voorsienicheyt Godes, als de menschen belastende met onnutte sorge, ende als duydelijck ende oock by goede gevolch-redenen in Gods woort verboden zijnde,38 Jere. 10. 2. Deut. 18. 9. Maer daer en boven dat het selve, als3940schadelijck voor het borgerlick leven, gantsch en al in vergetentheyt en ongebruyck behoorde gebracht te werden.
De redenen van t'gunt voorschreven is, hier int bysonder by42-43 te brengen soude vry wat te lanck vallen voor desen tijt: t'sal misschien elders te passe comen. Dit is allenthalven blijckelick,4445selfs by de daghelijcksche ondervindinghe, dat het meerendeel vande gene die hun met dese gheluck-voorsegginghe zijn bemoyende,46 veeltijts niet anders en doen, als datse de ooren vande47-51 ghene diese gehoor geven, verrijcken met woorden, maer vullen haer eygen beurse metter daet, ende voor een ydel toecoomstich50gewin draghen sy, met meerder sekerheyt, het jeghenwoordighe met hun wech. Eene van de oude wijs-gierige, strijct dese slach5151-53 van volck, met een geestige maniere van reden-cavelen, aerdelicken52 deur, in deser manieren: De Waer-seggers (seyt hy) sullen u off voorspoet toe-seggen, ofte wel tegenspoet: Indiense u voorspoet toeseggen,5455ende daer en volgt niet na, soo suldy ellendich zijn, door ydele hope, ende 't vergeefs wachten. Indiense u tegenspoet voor-seggen, ende dattet gelogen zy, soo suldy qualijcken daer aen zijn, altijt sitterende door ydele vreese. Indiense u ongeluck toe-seggen, ende dattet u58 over-coomt, soo zijdy tweesins catyvich, d'eerste-mael door vreese van het5960toecomende ongeval, ten tweeden door 't gevoel van het tegenwoordige.60 Indiense u voorspoet toe-seggen, ende het gewert u, soo en isset oock selfs dan niet ter degen, want het langduyrich hopen ende verlangen sal u de62 +smaeck van u toecomende vreucht gantsch ende al vruchteloos maken. Want sekerlick t'gunt datmen tusschen hopen ende duchten, naer65een heet ende langh-duyrich verwachten, ten langhen lesten eerst becoomt, is voor al dier genouch betaelt. In der vougen, hoemen66 dese sake went off keert, sy valt altijt qualicken uyt voor de gene die na dese ketelende beuselingen het oore jeucket. Want ten is68 niet min een aerdige, als waerachtige spreucke, die van dese6970voorseggers geseyt wert, Quantum Astronomi metiuntur, tantum70-71 Astrologi mentiuntur. Om welcke ende andere redenen hier te lang om verhalen, zijnder wel te rechte scherpe wetten tegens
soodanige bedriegers der eenvoudige by de gheschrevene rechten ghestelt L.5.C. de Malef. & Mathem. Nemo aruspicem consulat vel74-7975Mathematicum, nemo ariolum. Augurum & vatum prava confessio conticescat. Chaldæi ac cæteri, quos maleficos ob facinorum magnitudinem vulgus appellat, nec ad hanc partem aliquid moliantur. Sileat omnibus perpetuò divinandi curiositas. Etenim supplicio capitis ferietur gladio vltore prostratus, quicunque jussis nostris obsequium denegaverit.
80Wat het gevoelen van de tweede soorte van menschen80 belangt, voorwaer ick en weet niet wat de selve mogen dencken,8181-91 waerom sy lieden metten hoofde oppe-waerts van God almachtich gheschapen zijn, ofte waerom den selven goeden God soo veel heerlicke schepselen (die sijne heerlickheyt verclaren, ende het8485werck sijner handen vercondigen, gelijck David seydt Psal. 19.1.)85 recht boven hun hoofden, soo opentlick ende int gesichte van88-89 yder, heeft gestelt; nademael sy-lieden de selve als ongemerct89 daer henen willen laten gaen, de zenuwen van alle hare vijff sinnen alleenlic op-spannende om eenige ydele ende nietige90dingen na te jagen, die in vergelijckinge van de hooge ende hemelsche schepselen minder zijn als stoff der aerden. Soude-men niet met veel beter gront ende bondiger redenen, het zilver ende gout mogen laten in de diepten der aerden, daer het van God almachtich93 schijnt als verborgen, ende de menschen ontleyt te9495wesen, op dat den sulcken door de moeyelickheydt van dat te becomen, de begeerte daer van soude aff-legghen, liever dan+datmen de selve met soo bloedigen arbeyt ende menichvuldige ghevaerlickheydt, schier uytten affgront selfs, immers uyt het inghewant98 der aerden zoo vierichlicken soude gaen op-halen. En99100dencken soodanige menschen niet, dat hoese dieper in der aerde graven, hoese verder van den hemel aff-wijcken? En wetense niet dat na de ordeninge der dingen, gelijck die by God van den102
beginne gestelt is, hoe eenich schepsel hooger is, hoe het selve103 oock heerlicker ende suyverder is? Ende in tegendeel van dien,105hoe eenich dingh aertscher ende onreynder is, hoe het leeger105 geplaetst is? Het water is van suyverder aert als de aerde, dies isset in sijn oorspronckelicke gestaltenisse hoogher als de aerde; de lucht is edelder als het water, het vier als de lucht, den hemel als het vier, ende dien volgende elck na gelijckmaticheyt sijner109-110110reynicheyt, oock hooger in gelegentheyt ofte gestaltenisse. Het110-112 welcke oogh-schijnelick alsoo zijnde, soo zijnse dan dwaeslick bedocht, die de hoochste ende mitsdien de suyverste dingen, die God de Heere ons als open ende voor oogen gestelt heeft, achter113-114 rugge laten, ende gaen daerentegen gelijck mollen in de aerde115ligghen wroeten, om t'gunt dat by gevolgh van de voorgaende115-116 reden-cavelinghe het onsuyverste van allen moeste zijn, ghenouchsaem116-117 in spijt van God almachtich op te halen ende te voorschijn te brengen. Sy doen dan wel ende wijsselick, die hare herten ende oogen eerbiedelick ten hemel verheffende, beschou-120wen de heerlickheyt des Scheppers in die plaetse daer de onse te120-121 soucken is.
Ende onder dese begrijpen wy die van het derde ghevoelen hier vooren aengheroert, ende houden dat soodanigen gebruyck123 ende beschouwinghe des hemels ende der sterren, volghens den125inhout der H. Schrift, niet alleenlick volcomelick gheoorloft sy; maer oock sonderlinge dienstich voor het menschelick gheslachte.126 Dan, om wat naerder hier van te handelen, dient gelet dat de127 Gesterten en loop des hemels ofte ordinare ende ghewoon, ofte extraordinare ende ongewoon zijn: nopende de ghewoonlicke129130ofte ordinare, wy houden dat de selve niet alleenlijck tot130 onderscheydinge der tijden en saysoenen des Iaers, tot kennisse+van Vloet en Ebbe des Zees, tot bestieringe vanden Schip-vaert;132 maer selfs oock tot voor-wetenschap van het ghewoonlick weder in elcke tijden des jaers, en selfs oock daer en boven in135verscheydene andere ghevallen (Luc. 12. 54.) dienstich ende gheoorloft135 te zijn. Wat aengaet de ongewoonlicke verschijninghe van sterren, ofte eenige veranderinge in den loop der hemelscher lichten, wy houden dat de selve ontwijfelicke teykenen zijn dat God almachtich als dan voor heeft yet sonderlincx ende buyten139-140140gewoonte op den aertbodem int werck te stellen als by exempel. Ten tijde Josue lesen wy de Sonne en Mane stille gestaen te141 hebben, ten eynde Gods volck een volcomen victorie soude wech
dragen van hare vyanden, Ios. 10. 13. Ten tijde Hiskie ginck de143 Sonne thien linien te rugge, om den Coninck, die sijn leven145ontseyt was, van vijfthien jaer byvouchsel tot sijne dagen te versekeren, Esa. 38.8. Reg. 4.20. Ten tijde vande geboorte Christi,146 isser een nieuwe sterre aenden hemel gesien geweest loopende rechts teghens den loop van andere sterren, om de Wijse van148 oosten te leyden tot den nieuwen geboren Coninck der Ioden, den150Salichmaker des werelts, Matth. 2. 2. Ten tijde van Christi doot150 aen het cruyce, wert de Sonne duyster van de seste tot de neghender ure, om te betuyghen den doot vanden Vorst des levens. Matth. 27. 45. welcke duysternisse gesien sijnde by153153-156 Dionisius Areopagita Athenienser, een voortreffelijck Sterre-ge-154155leerde, niet veroorsaeckt te werden door eenighe ghewoonlicke155-156 Eclipsis, (midts de Mane doen vol was) riep uyt; Ofte het maecksel156 des werelts moet t onder gaen, ofte den God der natueren is in lijden. Ezechiel, van Gode gelast sijnde den onderganck Ægipti te voorseggen, stelt voor eerst als voorboden dese extraordinaris
160teykenen, Wanneer ick u uyt doen sal (seyt hy) wil ick den hemel160-164 bedecken, ende sijne sterren verduysteren ende de Sonne met wolcken overdecken, ende de Mane sal niet meer schijnen, alle lichten des hemels wil ick aen u laten doncker werden, ende ic wil eene duysternisse in uwen lande maken, spreeckt de Heere. God dreycht oock sijn volck datter164165teykenen onder hun sullen zijn, ende aen haren zade, om dat sy165 den Heere haren God niet gedient en hebben met vreucht ende+lust des herten, Deut. 28. 47. Godes woort getuycht evenwel dat167 voor de toecomste Christi teykenen sullen zijn in Sonne Mane168 ende Sterren.
170Wt allen welcken duydelick connende bevonden werden dat ongewoonlicke teykenen des hemels, die by God den Heere aen de menschen verthoont werden, voor het meerendeel sijn als voorboden van eenighe toecomende swaricheden op der aerden. Soo en is niet vreemt dat van alle oude hercomen Sterren met174175Steerten, en dierghelijcke teykenen by de treffelickste verstanden van alle eeuwen zijn gheacht gheweest als voorbeelden van176 eenighe sonderlinghe veranderinghe onder den menschen, meestendeel hellende tot eenighe droevige uyt-coomste, en midts dien178 met hare vierighe en bloedige straelen als Godes Roede inde lucht180verthoonende; waer van dit de tacken plachten te wesen Diere180180-182 tijden, Pestilentiale sieckten, aenstaende Oorlooghen, doot van Princen, en veranderinge inde staet vanden lande; Sulcx dat veel182 ervaren persoonen die hun werck maken van na te spooren d'oorsaken vant verloop vande staet van Landen ende rijcken den185Comeet, als een vande sonderlincxste voorboden van soodanige veranderinge, in haer Schriften zijn voorstellende. T'is oock (onses oordeels) in dese materie seer bedenckelick dat de Poeten187 (die al dickwils Propheten zijn) al hoe wel seer verscheyden van189-190 tijde, nochtans gheensins verscheyden van gevoelen, ghenoechsaem190uyt eenen monde met uytgesochte schrick-woorden, de ysclicke vervaerlickheyt van dit vremde Ghesterte in hun gedichten ons hebben voorghestelt, de selve toeschrijvende gheheelick soodanige eygenschap en cracht als vooren is gheseyt. Welcker ghetuyghenisse (immers der voornaemster) wy goet hebben194195gevonden, voor de gene die de tale verstaen, hier by te voughen, eensdeels om de cracht vande bysondere woorden, in dit stuc196-197 aerdichlick naer den eysch vanden wercke by henlien ghebruyckt, den verstandighen int bedencken te gheven; anderdeel om dat uyt der selver ghedichten vry wat dieper op-merekinghen, als uyt
200t'gunt vooren is gheseydt, ghenomen can werden; ende ten lesten+om d'over een coomste van soo veel treffelijcke verstanden van verscheyden eeuwen in dese materie den leser voor ooghen te stellen. Wel aen dan, gunstighe Leser, laet ons dit wel-sprekende203 volck met haer ander-halve-voet-woorden in haer eygen tale elck204205op een bysondere wijse eens hooren donderen.205
Doch de Poëten en connen met soo schrickelicke woorden de Cometen niet beschreven hebben, ofte indien-men uytte Historien exempelen van de selve wil op gaen soucken, men sal bevinden240dat de daet ende werckinghe der selver de aff-beeldinghe diemen by de Poëten vint, veeltijts heeft beantwoort. Men ondervint241-245 by de oude Schrijvers, dat onder het Rijck van Carel de seste, Coning van Vranckrijck, een schrickelicke Comete tot Constantinopelen is ghesien gheweest, waer op is ghevolgt de gheboorte245van den valschen Propheet ende bedrieger Mahomet. Int westen
verthoonde haer een groote Comeet, ten tijde als Taburlan dien246-247 grooten Tyran soo veel menschen om-brachte, dat hy mette hoofden der selver op den anderen gehoopt, een muyr, ende als een bolwerck dede op-maken. Daer wiert een grousame Comete ghesien,250ten tijde als Bourbon Roomen plunderde, doch selffs daer250 doot bleeff. Dan den tijdt soude veel te cort vallen, dese ende dierghelijcke251 exempelen te verhalen, soo daer yemant begeerich is d'uytcomste ende werckinge der Cometen, ghelijck die in vele Historien bekent zijn, int breede ende by den anderen vergadert,255te sien; die lese het Bouck van Marcus Frythius, Ghedruckt tot255 Norenburgh, al-waer hyer van alderley slach ghenouch vinden sal. Behoudens dat onse tijdt selffs (ghelijck veel oude luyden noch257 in memorie is) mede vry haer deel van Cometen ende haere werckinghe heeft ghehadt, ende onder andere is vermaert ende260bekent de Comete ghesien in den jare 1577. waer op dadelick alle260-261 dese lang-duyrige ende bloedige oorloghen zijn ghevolght.
Men vint onder-en-tusschen luyden die van ghevoelen zijn, dat de Cometen, die sy lieden segghen uyt natuyrlicke oorsaken voort te comen, niet met allen en souden bedieden, ende datmen264 +265daer op geen acht ter werelt behoort te nemen; brengende daer265-266 toe by de plaetse Jeremiae 10. 2. Ghy en sult der Heydenen wijse niet leeren, ende en sult u niet vreesen voor de teyckenen des hemels, als hen de Heydenen vreesen. Dan uyt de selve plaetse en can niet besloten werden 't ghene sy lieden meenen, maer veel eer het teghendeel270van dien; want eerstelick is te letten, dat den Propheet sprekende van Teykenen, ontwijffelick daer mede te kennen geeft dat de selve yet moeten beteeckenen; want andersins en soudent geen teykenen wesen: Ten anderen, en ghebiedt den Propheet niet datmen de teykenen niet achten en soude, maer datmen sich daer275voor niet vreesen en soude, te weten als hun de Heydenen vreesen, 't welck niet anders te seggen en is, dan datmen sich soo niet ontsetten en moet int aensien van dusdanighe teyckenen, datmen sich mistrouwen soude aen de genadige beloften van den goeden God,
toe-schrijvende alle toecomende swaricheden tot de cracht ende279280de werckinghe der teykenen, als de beweghende oorsaken van de selve, maer veel eer datmen vast vertrouwen moet dat de Heere, als oock heerschende over de ghesterten, de teykenen der Waersegghers te niete can maken, 'tJs oock claer in Godes woort dat alle 'tgunt God aldaer gebiet, niet te vreesen dat al 'tselve284-285285daeromme terstont veracht moet werden; als by exempel, God ghebiet de sijne de Castijdinge, ende van gelijcken de Overicheyt, die het lijff alleenlick verderven can, niet te vreesen; maer287-289 even-wel wil hy datmense beyde ten hoochsten sal achten, ende gade slaen. Aen-gaende de bewijs-reden die van de natuyrlicke289-295290oorsake der Cometen wert ghenomen, de selve en gaet mede niet vast, want schoon men het voor-brenghen der Cometen int gheheel de natuyrlicke oorsaken al wilde toe-schrijven ('t welck alsnoch niet claer ghenouch bewesen is) soo en soude daerom terstont niet volghen, dat de selve niet yet wes en soude beduyden,295ofte aff-beelden. Den Reghen-boghe wert buyten twijffel door natuyrelicke oorsaken voort-ghebracht, even-wel nochtans isset een teyken des verbonts tusschen God ende alle levende gedierte, Genes. 9. 12. Andere meynen dat indien de Cometen eenighe298 +cracht hadden, dat de werckinge van de selve dadelick, ende ter300wijl sy staen ende ghesien werden, haer souden moeten openbaren: Want, segghense, sy en connen niet verstaen werden te wercken, alsse al vergaen ende te niete zijn. Dan die luyden bemercken de Cometen, als oorsaken van de swaricheden die na de selve volghen, 't welck ongheriemt is: alsoo de selve alleenlick304305moeten ghenomen werden als voor-boden van Godes toecomende straffe, ende niet als off den geessel selfs uyt haren steert, als van haer oorsaecke, voort-quame; het welcke wy voor een307 Godsalich ghevoelen houden. Wy nemen ende beschouwen dan de teghenwoordighe Comeet, ende dier-ghelijcke teyckenen, als310waerschouwers van den ghenadighen God, die ons sijne straffe niet over den hals en placht te senden, dan naer duydelicke ende clare voor-vermaninghe van de selve, als gheensins ghelijck wesende sekeren quaden aert van honden, die bijten al-eer sy bassen, maer altijdt sijn voor-loopers ende boden vooren uyt315sendende, ten eynde den wech des Heeren, immers door vreese van315-316 de aen-staende straffe, recht soude mogen werden gemaeckt. Wat de Comete, boven 'tgene wy hier int gemeen geseyt hebben,317 beduyden mach, houden wy alleen aen Gode, ende den genen die
desenthalven eenighe bysondere openbaringhe van Gode mach320hebben ontfangen, bekent te zijn. Want 'tis (ons bedunckens) treffelick ende eerbiedelick van Ptholomeo gheseyt, Solos afflatos321 numine particularia posse prædicere, dat is, Alleene de gene die van Gode aen-gheblasen zijn, yet wes int bysonder, te connen voorsegghen. Ende daer op eyndigen wy Leser, dese onse325Bedenckinghe, ende schencken u dit na-volgende ghedicht, tot een Nieuwe Iaer. Nemet ten goede, ende Vaert wel.