terug  begin  verderprepost
[p. 107]

Aenden weet-gierigen leser Op de Bedenckinghen+ Vanden Weerden Eerweerden ende Wijt-vermaerden D.D.+ Philips Lansberge,

Op den Daghelijckschen ende Iaerlijckschen loop vanden Aerdt-cloot; misgaders op de ware af-beeldinghe des sienelijcken+ Hemels.

 
AL wie daer is gheneyght tot wonderbare saken,1
 
Die vander Aerden gaen en tot den Hemel naken,2
 
Die lese desen Bouck, die lese met verstant
 
Wat hier een weerdigh Man schenckt aen het Vader-landt:
5
Siet! dat schier overal voor desen was verholen,
 
En daer in heden noch de kloeckste sinnen dolen,6
 
Dat wort u nu ter tijt als in een open velt,
 
Dat wort u nu ter tijt als voor het oogh ghestelt:
 
Het wonder groot beslagh, daer in de gulde stralen9
10
Van Maen en vande Son, daer in de Sterren dwalen,10
 
Het onghemeten vlack daer vaste lichten staen,
 
Dat wort in desen Bouck de menschen opghedaen.12
 
Wy sien het, lieve Vrient, ghy wilt ons gaen begheven13
 
Wy sien u metten gheest gheduerigh hoogher sweven,
15
Wy sien dat u voortaen geen Aerde meer en smaeckt,15
 
Maer dat uw' snelle pen tot aenden Hemel raeckt:
 
Wat sal ick t'uwer eer, wat kan ick vorder schrijven?17
 
Ick segghe maer een woort, en laet de reste blijven;18
 
Twee Hemels en haer loop stelt ghy ten vollen toon,19-20
20
De Derde, weerde Man, die sy voor uwen loon.
+Bedenckinghen: beschouwingen
+D.D.: Dominus Doctus
+sienelijcken: zichtbare
1is gheneyght: zich aangetrokken voelt
2Die vander ... naken: die boven de aarde (het aardse) uitgaan en de hemel (het hemelse) benaderen
6de kloeckste sinnen: de knapste lieden
9het wonder groot beslagh: de wonderbaarlijk grote ruimte
10de Sterren: de planeten, hier in onderscheiding van de ‘vaste’ sterren in r. 11
12opghedaen: geopend, onthuld
13begheven: verlaten, in de steek laten
15dat u voortaen ... smaeckt: dat u zich niet meer tot de aarde voelt aangetrokken
17vorder: verder
18Ick segghe maer een woort: ik wil nog slechts één ding zeggen
19-20Twee Hemels ... De Derde: Lansbergen zelf maakt in zijn boek een dergelijke driedeling. Aarde, zon, maan en planeten horen in het ‘wonder groot beslagh’ uit r. 9, de eerste hemel; de tweede hemel is die waarin de vaste sterren staan (het ‘onghemeten vlack’ uit r. 11), terwijl de derde hemel Gods hemel is in de zin van de wens uit r. 20, dat Lansbergen in de hemel moge komen.
prepostterug  begin  verder