begin  verderprepost
[p. 6]



illustratie
Karel Cogghe.
de man die de overstrooming van den IJzer leidde, door Stephan de Vriendt


[p. 9]

Voor M.

Deze Liederen van Droom en Daad

[p. 11]

Liederen eener lente

[p. 13]

I

 
Dit is geluk: als ge al uw dagen
 
In schoonen deemoed achter schijn
 
Van schaamle vreugde hebt gedragen
 
Den kommer van verholen pijn;
 
 
 
Wanneer ge moede en moedloos jaren
 
Gelijk een blinde dolend zijt
 
En plots uw leven voelt verklaren
 
Tot liefde's rust'ge zekerheid,
 
 
 
En zonder minste bitterheden
 
Of weemoed van herinnering.
 
Uit vreemden toover zijt getreden,
 
Die om uw vroeger dagen hing.
 
 
 
Dit is geluk: als gij, - ter haven
 
Geland van eenzaam-verren tocht, -
 
Met onweerhouden overgave,
 
Opeens een vrouw beminnen mocht;
 
 
 
Wanneer ge in haren schoot, bewogen,
 
Uw kracht'ge handen rusten liet,
 
En door uw traangeloken oogen
 
Haar oogen zachtjes schreien ziet;
[p. 14]
 
Wanneer ge weerloos 't hoofd moogt hangen
 
En streelen laten lijk een kind,
 
En voelt hoe veilig ze uw verlangen
 
Met teerheid van haar armen bindt.
[p. 15]

II

 
Hoe sta 'k in 't wislend licht der zonne,
 
In ondergang en dageraad,
 
En keer naar alle horizonnen
 
De hooge rust van mijn gelaat.
 
 
 
Ik ken den koppigen beet der zorgen
 
Om wat onzeekre Hand bereidt,
 
Maar 'k weet het werk, dat eiken morgen
 
Mijn dag tot rijker waarde wijdt.
 
 
 
Ik weet: toen gij me 't voorhoofd merkte
 
Met eed van lippen, traag en stil,
 
Dat ongekende krachten sterkten
 
De kracht van mijn bewusten wil.
 
 
 
En 'k weet hoe bij elk avondzwijgen,
 
Terwijl uw hand de spijzen deelt,
 
Uw lach, die naar mijn mond komt nijgen
 
De moeheid van mijn hoofd vereêlt.
[p. 16]

III

 
Daar staat een beedlaar voor uw deure,
 
Die moede en verre reis verraadt;
 
Kom hem met zoete woorden beuren
 
Vòòr hem de laatste kracht ontgaat.
 
 
 
Hij klopt met ongeduld'ge handen
 
En smeekt, wat stilte wedersmeekt;
 
Doe open eer door de avondlanden
 
De wanhoop van zijn kreten breekt;
 
 
 
Eer hij zijn eigen hart gaat haten,
 
Omdat het zòòveel heeft bemind,
 
Of 't plots, gebroken en verlaten,
 
Beschreien gaat gelijk een kind;
 
 
 
Eer hij zijn fijngevoeligst denken
 
Gaat martlen met verbeten spijt,
 
Eer hij zijn koorts'gen mond gaat drenken
 
Met spot van eigen bitterheid;
 
 
 
Eer hij zijn moede en dwalende oogen
 
Van alle laatre liefde keert,
 
En zoekt in bittre vrouwenlogen
 
Te dooven smart van zielsbegeert'.
[p. 17]
 
Doe open vòòr hem wrok doorgriefde
 
En jaagt door dreigende' avond voort.
 
Hier staat de bedelaar der liefde
 
Die hunkert naar uw noodend woord.
[p. 18]

IV

 
Laat me in 't licht van uw genade
 
Treden lijk een dolend kind,
 
Waar ik langs verdwaalde paden
 
Eindelijk uw woning vind.
 
 
 
Open mild uw liefderijken
 
Voor een hart dat zoekt en lijdt;
 
Wil me traag uw lippen reiken
 
Zonder rouw of stil verwijt.
 
 
 
Laat me uw adem voelen mogen
 
Eiken avond om mijn haar;
 
Laat de zegen van uw oogen
 
Rusten op mijn oogenpaar.
 
 
 
Temper 't licht: ons woorden rijzen
 
Rijker in de schemering;
 
Zacht zal voor ons blikken deizen
 
Weemoed van herinnering.
 
 
 
Laat de weelde van deze uren -,
 
Droomdoorzongen werldijkheid -,
 
Om ons beider hoofden duren
 
Tot de late nacht ons scheidt.
prepost  begin  verder