[p. 19]
De dubbele kroon
[p. 21]
Voor koning Albert
Van de eerste zon begroet, en laatst van zon orablonken,
Op 't helste en hoogste duin,
Op driftdoorrilden rug en steigerende schonken
Van strijdgedrilden ruin,
Tot één gestalte in brons én beeld én ros geklonken,
Op grond van grauw arduin;
Daar waar de haat en storm van zee en volken brandden
En baarden zwaar torment,
Gelijk een baken voor wie naar uw mist'ge stranden
Den koopren steven wendt;
De hoop en toeverlaat, als door de lage landen
De nood en de oproer rent;
Daar waar uw krijgren 's vijands heir de poort verboden,
Die de' oceaan bestaart,
Waar op uw traag gebaar en woord de waatren vloden
En golfden over de'aard,
Den toom naar de'oost gekeerd en, over 't graf der dooden,
De hoede van uw zwaard;
Ten heil'gen wal die de oudren ,op de zee verwonnen,
Met bloed, geduld en kracht,
Daar heeft mijn dankbre droom uw Koningsbeeld verzonnen,
In de eer van bronzen dracht,
Opdat het rijze en staar naar alle horizonnen
Voor ieder nieuw geslacht.
[p. 22]
't Geweld brak met den trots der moord'ge pantserforten
De zuilen van 't gezag;
't Opstand'ge dreunen naart der nachtlijke kohorten,
Met toorts en roode vlag;
De brand verlicht hun vaart; de onvaste tronen storten
Bij dronken hoongelach.
Maar in de branding die den oogst bedreigt der dalen
En rond uw grenzen slaat.
Waar storm van zee noch lucht noch aarde U neer zal halen
Ter eeuw'ge duinen, staat
Uw ruiterbeeld en ros en door den nacht blijft stralen
Het licht van uw gelaat.